Je ziet het in de kleding die gedragen wordt, de kleuren van de interieurs, de auto’s en ja, ook en zelfs met name, in de muziek. Er wordt vaak terug gegrepen op eerdere vormen, kleuren en dus ook geluiden.
Zo was er enige jaren terug sprake van een heuse Eighties-revival, waarbij de oude postpunkperiode flink geciteerd werd door bijvoorbeeld Franz Ferdinand en The Editors. En ook kwamen de afgelopen jaren de big band-muziek, rock ’n roll en sixties al gerecycled voorbij.
Waarom toch? Waarom willen mensen (en dat is mezelf incluis) uiteindelijk toch altijd weer graag de muziek uit hun jeugd (terug) horen? En waarom is dus het gros van de populaire muziek vreselijk voorspelbaar, let wel, niet persé slecht, maar wel zeer doorslikbaar.
Een aantal jaren geleden las ik over een studie die hiernaar was verricht. Wat bleek? Mensen leren van muziek! Het komt er op neer dat iemand die zijn hele leven tot op heden aan muziek wordt blootgesteld (wij bijna allemaal dus) hierin onbewust patronen gaat ontdekken.
En dat niet alleen; deze patronen worden vervolgens ook verwacht in het eerstvolgende stuk dat men hoort. Ofwel: een melodie is uiteindelijk opgebouwd uit muzieknoten. Deze moeten dus zo achter elkaar staan dat dit aansluit op jouw beleving van een “normale”melodie. Als dit niet het geval is, doordat er bijvoorbeeld dissonanten in zitten of doordat je gewoonlijk een vrij eenzijdig aanbod gewend bent (en dit bedoel ik niet als oordeel) dan vind je zo’n nieuw aangeboden melodie al gauw niks byzonders, saai, of gewoon lelijk.
Dit verklaart bijvoorbeeld de hoge mate van afkeuring welke Stravinsky ten deel viel toen hij in 1913 zijn “Sacre du Printemps” voor het eerst in Parijs ten tonele voerde. Er zaten zodanige dissonanten en atonale passages in het stuk dat het publiek er simpel gezegd “niet klaar voor” was.
Dit stuk lezend vielen ook voor mij wat stukjes op hun plaats. Toen ik enige jaren geleden werkzaam was bij de platenmaatschappij welke de heruitgave verzorgde van “A love Supreme”, het briljante album van John Coltrane uit 1967, roofde ik een exemplaar uit de promotiekast om te beluisteren.
Dit viel verschrikkelijk tegen. Ik kon dit echter niet geloven. Iedereen die in mijn ogen iets zinnigs over muziek te melden had gaf op over de genialiteit van het album en ik hoorde alleen een partij noten die totaal geen samenhang leken te hebben. Ik heb de plaat diezelfde middag nog 7 keer gedraaid, ik moest en zou de logica doorgronden en…inderdaad. Het is nog altijd niet één van mijn favoriete zondagochtendplaten, maar enige schoonheid is er absoluut in te ontdekken.
Wat ik maar wil zeggen: Houd niet vast aan de muziek die u al kent, verken de grenzen, want geloof me: er is nog heel veel moois te ontdekken voor wie luisteren wil.
En op het vlak van herhalingen in de muziek nog het verhaal van iemand die hier veel over kon vertellen: In 1891 scoorde George Washington Johnson een enorme hit met het nummer “The Laughing Song”, een populair deuntje dat vooral opviel door het hinnikend gelach in het refrein. Hier werden gedurende de volgende 7 jaar honderdduizenden exemplaren van verkocht. Probleem was echter dat massaproductie van geluidsdragers in die tijd nog niet bestond, hooguit kon men 5 kopieën per opname maken. Het gevolg was dat George noodgedwongen ruim 40,000 keer in lachen heeft moeten uitbarsten om aan de vraag te voldoen.
Enfin, hij hield er gedurende 7 jaar een vaste baan aan over…..
Geen opmerkingen:
Een reactie posten