dinsdag 30 november 2010

WARE LIEFDE???


Zoals u wellicht weet speelt muziek een zeer belangrijke rol in mijn leven. Soms bekruipt me wel eens de angst dat ik als gevolg hiervan een wat eenzijdige gesprekspartner zou zijn, doch die beoordeling laat ik gaarne aan anderen over.

Ik merk echter wel dat het, meestal onbewust en soms zeer bewust, een soort van meetlat is waarlangs ik mensen meet. Dit is uiteraard niet terecht.  Mijn vader is bijvoorbeeld totaal geen muziekliefhebber, maar je kunt absoluut een goed gesprek met hem hebben (zo goed, pa?)

Afgelopen zomer overkwam mij echter opnieuw wat mij al enkele malen eerder was overkomen. Tijdens een buitenbeurs kwam een groep Zuid-Europese dames voor mijn kraam staan. De meesten vonden het allemaal maar zó-zó, maar één ervan vroeg of ik misschien iets van David Sylvian had.
We raakten aan de praat, hadden het via Sylvian over Brian Eno en Phillip Glass enz. etc. en aan het eind van het gesprek was ik tot over mijn oren verliefd.
OK, toegegeven, ze was erg aantrekkelijk, maar dat was het niet. Ik kom op platenbeurzen maar weinig vrouwen tegen die een veelzijdige muzikale smaak hebben. Eigenlijk kom ik vrijwel geen vrouwen tegen, behalve achter mijn kraam. Om maar iets aan te geven: enige jaren geleden verzuchtte één van mijn vrouwelijke medewerkers na afloop van de beurs in Utrecht (de grootste platenbeurs ter wereld, 2,5 km stands): “Ik heb nog nooit in één weekend zó veel lelijke mannen gezien.” Deze uitspraak werd later nog door iemand anders aangevuld met: “En geróken”, want verzamelaars schijnen het ook met de hygiëne niet altijd even nauw te nemen.

Enfin, ik dwaal af. Uiteraard was mijn verliefdheid van korte duur. Tot aan het moment van afrekenen en daarna verdween zij weer in de mist mijner onvoltooide dromen, doch het zette mij aan het denken. Is muziek zodanig belangrijk dat er, ongeacht de persoon, liefde uit kan voortkomen? Muziek is emotie, dat is algemeen bekend en er is voor mij geen grotere afknapper mogelijk dan een dame die mij toevertrouwd dat ze de muziek van Sky radio altijd zo lekker ontspannend vindt, ik heb ooit drie weken gewerkt op een plek waar dit dagelijks aanstond en rende toen gillend de deur uit.

Ik had zo’n verliefdheid ooit extremer gehad. Toen ik in 1994 voor MCA werkte, deed men daar de promotie voor Noa, ofwel Achinoab Nini, een Joodse zangeres die een album had gemaakt geproduceerd door Pat Metheny. Een schitterend en gevoelig album met afwisselend nummers in het Hebreeuws en in het Engels. Ik ging naar een optreden van haar en viel als een blok. Wát een stem, wát een energie (ze speelde percussie). Ik durfde op slag na afloop van het concert backstage geen mond open te doen. Gelukkig maar, want haar volgende album viel verschrikkelijk tegen.
Men probeerde haar te lanceren als de nieuwe Celine Dion, iets dat Goddank niet gelukt is, en tegenwoordig speelt ze weer kleinschalige concerten voor de Joodse gemeenschap overal ter wereld.

En toch, zoals een literair snob zijn vrienden afmeet aan de boeken die ze lezen (sorry, ik kom niet verder dan Umberto Eco, Oscar Wilde en Gabriel Garcia, voor mij geen Elfriede Jelinek, mij te abstract)  ben ik bang dat ook ik voor in ieder geval de eerste indruk een luisterend oor heb.

vrijdag 26 november 2010

IN HOGERE SFEREN

Jerry Roll Morton was een jazzpianist. Hiernaast was hij een enorme opschepper die beweerde eigenhandig de jazz te hebben uitgevonden en bij tijd en wijle ook nog eens gewelddadig.

Geen fijn persoon dus, nogal onberekenbaar. Of dit nu echter in zijn karakter lag of dat het kwam door zijn veelvuldig drugsgebruik is niet geheel bekend. Een beetje van beiden, denk ik. We kunnen het hem niet meer vragen, hij overleed in 1941, op 56-jarige leeftijd.

Muziek en drugs, een altijd weer terugkerend verbond, niet perse noodzakelijk voor de inspiratie maar, het moet gezegd, het levert wel verrassend mooie liedjes op. Denk maar aan Lucy in the Sky with Diamonds (LSD), Eight Miles high, Hotel California of, recenter, Warum van Tic Tac Toe of  Captain Pasty van het Herman Brood album  “Bluefinger”  van Frank Black.

Legio zijn de voorbeelden van muzikanten die vanwege hun drugsgebruik vroegtijdig aan hun eind kwamen. John Coltrane, Gram Parsons, John Bonham of van de laatste tijd: Michael  Jackson.  Goed, bij laatstgenoemde ging het om “een overdosis pijnstillers”, maar wat is het verschil?

Vrij hilarisch zijn de drugsgerelateerde verhalen die in de muziekindustrie de ronde doen. Zo had Sony halverwege de jaren 90 een flink budget uitgetrokken voor een talentvol bandje, de Dandy Warhols. Deze gasten kregen dit bedrag mee en kwamen vervolgens na een half jaar spuiten, snuiven en slikken terug met de mededeling “het voorschot is op, kunnen jullie nog wat sturen?” Hierna besloot Sony de studiorekeningen maar zelf te voldoen en kwam er, inderdaad, een briljant album uit: “Dandy Warhols come down”, met daarop de culthit (hoe kan het ook anders) “Not if you were the last junkie on earth”.

Ook hier in Nederland deed een soortgelijk verhaal de ronde. Een Amsterdamse houseproducer kreeg van zijn uitgever een voorschot van 100,000 gulden (het was 1996) mee om een eigen studio te bouwen.  De helft van het geld werd inderdaad voor dit doel uitgegeven, maar de andere helft werd vakkundig omgezet in taxi’s, etentjes en, tja, natuurlijk, softdrugs. Na een jaar was het op en ik geloof dat de uitgever tot op de dag van vandaag nog niet al het geld terug heeft.

Ik denk dat dit laatste verhaal wel kan kloppen. De Amsterdamse housescene halverwege de jaren 90 was een zeer goede klant van de Bulldog en consorten. Ik werkte die tijd voor een klein label aan de Zeedijk en deed weliswaar zelf niet mee, maar kwam aan het eind van de dag toch lichtelijk het kantoor uitzweven, omdat de eigenaar 8 vette joints per dag opstak, zoals hij zelf zei: “om inspiratie op te doen”. Hij is inmiddels naar Thailand vertrokken en heeft daar een studio opgezet.

Overigens wordt er door goedbedoelende “ouderen” veelvuldig op gewezen dat drugsgebruik zeer gevaarlijk kan zijn. Ik ben het daar volledig mee eens, ware het niet dat men deze uitspraken het vaakst hoort op verjaardagen, waar de hoeveelheid genuttigde alcohol vele malen groter is dan de hoeveelheid cannabis die hier verstookt wordt. Ook is naar mijn idee het aantal verkeersdoden door alcoholmisbruik flink hoger. Kortom: één van tweeën, of alcohol ook verbieden, of softdrugs legaliseren.
Kan Paul McCartney Japan tenminste weer in, waar hij in 1980 tot ongewenst persoon werd verklaard wegens het in bezit hebben van een pakje nederwiet….

dinsdag 23 november 2010

VROEGER WAS ALLES BETER

Zoals u wellicht weet verzuchtte ik begin dit jaar dat ik me zou proberen te onthouden van gemopper over “de muziek van tegenwoordig”. Hier houd ik aan vast.
Maar…hoe zit dat nu eigenlijk? Waarom grijpt vrijwel iedereen terug op de muziek uit zijn/haar jeugd, een enkele “oudere jongere”in de midlifecrisis daargelaten, die het nodig vindt zich onder het jongere volk op de diverse houseparties te begeven?
Als jong kind ben je weliswaar gevoelig voor muziek, maar houd je vooral van voorspelbare melodieën, denk hierbij bijvoorbeeld aan de populariteit van de diverse zogenaamde “Hollandse”muziek op de lagere scholen. Met name Studio 100 maakt hier dankbaar gebruik van.

Op de middelbare school ben je echter op de top van je kunnen qua leervermogen. Als je dan jezelf verdiept in (populaire) muziek, dan is het leven één grote ontdekkingsreis. Deze scholieren zie je met name op de festivals als Lowlands, Sziget en Roskilde.

Daarna ga je echter werken en heb je geen tijd/energie/zin meer om je verder te bekwamen in de muziek. Ziedaar dus de reden dat veel wat oudere liefhebbers verstokt blijven hangen bij hun aangeleerde voorliefde voor blues, AOR (voor de nieuwkomers: dit is “Adult Oriented Rock”, werd met name op Arrow Classic Rock veel gedraaid), punk, progrock en/of “gewoon” de hitparademuziek uit de periode van pakweg hun 11e tot hun 18e.
Begrijp me niet verkeerd: in de loop der tijd is een enorme hoop fijne muziek gemaakt en waarom zou je je smaak verbreden als je daar geen zin in hebt?
Anderzijds: een hoop van deze muziekliefhebbers doen erg veel moeite om alles wat na die “gouden”tijd uit hun jeugd werd gemaakt als niet relevant te bestempelen. En…maakt u zich geen zorgen, ook ik bezondig me nog wel eens aan de gedachte dat alles al een keer gedaan is, zodat een nieuw produkt slechts kan klinken als iets dat al eerder ontsproten is aan het brein ener muzikant.

Op platenbeurzen, waar ik veel kom, herken je deze mensen gemakkelijk. Ze vragen bijvoorbeeld: “Heeft u ook iets van Dylan?”(echte liefhebbers hoeven geen Bob meer te zeggen, die zijn praktisch familie van de meester) en als er toevallig even niets aanwezig is, kijken ze nog even misprijzend naar de overige singer/songwriters en vervolgen hun weg naar de volgende argeloze handelaar.
Goed, dan nu de vraag: is dit nu eigenlijk zo? Is er al 38 jaar niets relevants meer uitgekomen.
Dus hebben Joy Division, Slayer, Radiohead, Motorpsycho (voor zover ze met Jaga Jazzist samenspeelden), Godspeed you Black Emperor,  Biosphere  etc. etc. nooit bestaan? En mijn excuses dat ik de rest vergeten ben.

Nee, dus. Ook nu nog komt er zo nu en dan een band uit die iets nieuws, dan wel iets vernieuwends maakt zoals bijvoorbeeld Mars Volta, dat twee albums lang vriend en vijand verraste met een zeer intense mix van progressive rock en freejazz. Daarna was het kunstje wel bekend, da’s het nadeel van veel muziek luisteren.

Ik vraag me dus wel eens af: zou, over 10 a 15 jaar, een groep mensen rondlopen die deze band volledig op handen dragen en niets anders willen horen? Het zou zo maar kunnen…

By the way: Voor de sixties-liefhebbers: het best verkochte album uit de jaren 60 was de soundtrack van The Sound of Music…..over gekleurde brillen gesproken….

vrijdag 19 november 2010

KUNST


NB: deze column wordt gepubliceerd in "Prettig Weekend", een huis aan huis blad in Waterland. Vandaar de vermelding hiervan. Dit stuk werd gepubliceerd vlak voor Prinsjesdag, toen nog niet duidelijk was wat de signatuur van ons kabinet zou worden. Desondanks hield ik er al rekening mee dat het zwaar weer zou gaan worden. Enfin, leest u zelf maar:
          
Tja……nu zit ik dus met een probleem. Hoe kun je het nu volgende opschrijven zonder enorm te gaan mopperen….(zucht)…dat gaat niet, dus bij deze: WAARSCHUWING: In het nu volgende stuk wordt flink gemopperd. Trekt u het zich niet teveel aan en tracht tussen de regels door te lezen of, indien u hier nu eens geen zin in heeft, sla deze bladzijde om (na eerst even de advertenties hiernaast te hebben gelezen, Prettig Weekend heeft ook brood nodig) en laat dit stuk voor wat het is….
Zo, nu zijn alleen u en ik nog over.
Zoals u weet is het over enkele weken weer Prinsjesdag in Nederland. De diverse politici zijn al druk bezig hun nota’s op te stellen met daarin opgenomen een aantal flinke bezuinigingen. Dit, om het volk te overtuigen van de noodzaak tot het verhogen van de uitgaven voor defensie, uiteindelijk moet de JSF er toch komen, en het verlagen van alle overige posten om dit te kunnen betalen.  Hadden ze maar een vak moeten leren, zei mijn vader altijd. Nu gaan er onder deze politici een flink aantal stemmen op om flink te gaan snijden in de diverse subsidies op het gebied van kunst. Met andere woorden: de volstrekte kaalslag die zich de laatste jaren al flink heeft doen gelden op het gebied van theater en vooral ook muziek zou nu volledig worden. Eén en ander komt al tot uitdrukking in het volslagen gebrek aan talentvolle muzikanten van Nederlandse origine dat boven komt drijven in het Nederlandse clubcircuit. Bands als Kane, Direct en Moke worden als “alternatief” gepromoot. Teken aan de wand is het feit dat het aantal Belgische en Scandinavische kwaliteitsbands vele malen groter lijkt dan het aantal Nederlandse bands dat  wat te melden heeft. Het hierboven genoemde Moke gaat er bijvoorbeeld nog altijd prat op dat ze de favoriete band zijn van Paul Weller (lees: enkele jaren geleden heeft hij een keer op een festival gezegd dat hij het wel een leuk bandje vond, inmiddels is hij hun naam allang vergeten) en dat ze gehuld worden in Carl Lagerfeld (heet hij zo? Klinkt als biermerk) pakken. Muzikaal vallen ze echter vooral op door hun “Britse” aanpak. Alleen jammer dat er in Brittanië héél erg veel bands zijn die dit veel beter kunnen.
Verder moet de nieuwe aanwas vooral komen uit de diverse Idols-achtige programma’s (K-Otic…kent iemand ze nog? Doet het goed qua aanbod op Koninginnedag).
Ik hoor het u zeggen: tja, al te moeilijke muziek is nu eenmaal niet besteed aan de Nederlandse jongeren. Hier zijn echter een aantal zeer eenvoudige redenen voor: Ten eerste staat het radioaanbod in Nederland  op eenzame hoogte qua kleuterniveau. Alle landen om ons heen bezitten zenders welke meer aandacht besteden aan de wat betere popmuziek (jazeker, die bestaat). Wij moeten het doen met  Radio 3 “Serious Radio”, waar meer slap ge-OH’d wordt dan dat er (flauwe) muziek wordt gedraaid. Verder worden ook de publieke TV-zenders nog slechts aangehouden bij gratie van “de kijkcijfers”en worden we dus avond aan avond verveeld met…enfin, vult u maar in.
Kortom: ik zei het al: er wordt erg veel gemopperd in dit stuk. Kan iemand er dus voor zorgen dat de publieke omroepen weer dat doen waar ze ooit voor bedoeld waren? Ter informatie en educatie van “het geheele Neederlandsche volk”??? Dank u.

donderdag 18 november 2010

HET KONINKRIJK

“Heren, we zitten met een probleem”, zo verklaarde de man die men “Moondog” noemde aan de tafel van drie: “Komend weekend worden wij geacht een feestje te organiseren, maar wie moeten we daarvoor vragen?”
“Tja, muzikanten genoeg, lijkt me…” zo zei één der twee anderen, een man met een zeer uitgesproken DJ-stem. “Onlangs heb ik hier Alex Chilton van Big Star, Mark Linkous van Sparklehorse en Pim Koopman van Kayak en Diesel naar binnen zien komen.”
Ze zaten gedrieën aan een grote tafel in een wit-mistige omgeving, de drie mannen die met deze taak belast waren. Ieder jaar rond begin mei werd in het Walhalla der artiesten een klein festival georganiseerd met afsluitend een jamsessie met de op dat moment beste aanwezige popmuzikanten. Het probleem was echter dat het aantal muzikanten langzamerhand behoorlijk groot begon te worden en de keus derhalve steeds moeilijker werd.
“Ach, het was ooit zo simpel”, zo verzuchtte Moondog weer:”Je had destijds Buddy Holly, de Big Bopper, Richie Valens, iets later aangevuld met Sam Cooke en wat ouwe jazz en bluesjongens en dat was het dan weer. Nu worden er bijna wekelijks wel een paar van die jongens en meiden binnengehaald.” De derde man aan tafel had tot dusverre zijn mond gehouden, hij droeg een smetteloos wit zomerpak en een grote, amper licht doorlatende, zonnebril. “Ik heb destijds de belangen van een meisje behartigd dat ik net zag binnenkomen” verklaarde hij met enigszins krakende stem: “ze heet Teddy Scholten en won destijds het Eurovisie Songfestival, is dat niet iets”?”Ach hou toch op Lou, veel te middle of the road”, mompelde de DJ “Had ik Anouk maar hier, dat meisje heb ik nog geproduceerd toen ze net begon, da’s echt een grote”…
Hier werd hij echter ernstig om vermaand door Moondog, die vaststelde dat het niet gepast was om hier  en nu te gaan speculeren over artiesten die nog op aarde rondliepen. “Ik vrees dat we dus toch weer in hetzelfde rijtje uitkomen als altijd de laatste jaren, op gitaar Jimi, op bas Jaco Pastorius, drums John Bonham en blazers gearrangeerd door Miles en Trane….en wie doen we op zang dit keer????”
“Michael Jackson natuurlijk” riepen de twee anderen:”Of Ramses, dat kan ook”, monkelde Lou. Moondog dacht diep na. Die Jackson kon wel wat, was redelijk kort geleden gearriveerd, maar was wel een vrij controversieel figuur. Anderzijds, dat was hij zelf ook geweest destijds. Het Payola schandaal was hem niet in de kouwe kleren gaan zitten. Maar toch, dat was alleen maar een geldkwestie geweest en die Michael, had hij nou wel of niet…..enfin, Ramses werd het zeker niet, zoveel was zeker. Jammer voor Lou, die had altijd al een voorliefde gehad voor crooners, met name Frank Sinatra….heeeee…..”Zeg Lou, hoe zou jij het vinden als we Sinatra eens een keer zouden neerzetten”? vroeg Moondog, maar zag direct dat dat een verkeerde vraag was.
De DJ aan de overkant van de tafel werd groen, geel, paars en nog veel meer kleuren welke ooit aan het spectrum waren toegevoegd.”NEEEEEE!!!!”zo brulde hij, “waarom dan niet meteen Karen Carpenter, Tobi Rix of bloody halve Milli Vannilli???  Wat mij betreft is dát dus een VETO!!!”
Even spookte de naam Bo Diddley nog over tafel met zijn straffe ritmes, maar uiteindelijk werden de drie het eens. “Tja”, zuchtte Moondog,” we komen ook ieder jaar weer uit op dezelfde naam, ik bel wel weer.”  Hij pakte de hagelwitte telefoon die naast hem stond, draaide aan de slinger en vroeg de telefoniste hem door te verbinden met Dries van Kuijk. “Ach, hallo, kolonel”, sprak hij toen de verbinding tot stand kwam, “u weet denk ik wel waarvoor ik bel?” Hij luisterde en trok vervolgens wit weg: “Nee, ik begrijp het, ja, niks aan te doen, dag…kolonel.” Hij legde neer en sprak tot zijn kompanen: “Elvis heeft zojuist het Walhalla verlaten……hij is even aan het bijkomen van alle optredens die hij afgelopen week in Monnickendam moest doen…….

woensdag 17 november 2010

EXCENTRIEK ALS EEN DEUR

Alle kunstenaars zijn gek. Alle andere mensen zijn normaal.” Maar wat is normaal”? vroeg mijn moeder dan altijd. En ik moest het antwoord hierop schuldig blijven, want waarom wordt iemand die bijvoorbeeld destructief met zijn lijf omgaat, drugs gebruikt, anorexia heeft  en wat bekender is gezien als “een kunstenaar, dus kun je dat verwachten”, terwijl,  als ome Henk dagelijks vier a vijf  biertjes drinkt en rookt als een schoorsteen (in de tuin, want tante Cor wil niet meer dat die lucht in de gordijnen gaat zitten) en daarbij structureel 25 kilo te zwaar is, dit dan wordt gezien als normaal gedrag, zo’n man moet toch wat plezier houden in zijn leven.

Tja….

Mijn eerste kennismaking met “gekke”kunstenaars was die met Alice Cooper.  Nee, niet persoonlijk, maar de verhalen die je over hem hoorde, hij trad op met Boa Constrictors die hij dan het publiek in gooide, liet vogelspinnen over zijn gezicht lopen enz. enz. Ach, het waren mooie verhalen en het was een grappig imago, zo’n horrorspecialist die stevige rocknummers zong.
Dat hij zijn act bij elkaar had gejat met elementen van Ozzy Osbourne, Frank Zappa en vooral Screaming Lord Sutch, die dit begin jaren 60 al deed, kwam ik pas veel later aan de weet. Intussen had hij zelfs een in mijn ogen mooie themaplaat gemaakt over zijn “gekte”, getiteld “From the inside”, zijn licht humoristische kijk op het leven in een inrichting. Prijsnummer was uiteraard “How you gonna see me now”, ook in Nederland een flinke top 10 hit in die dagen. De clip is trouwens ook nu nog via Youtube te bewonderen.

Toch zijn wij blijkbaar gefascineerd door excentrieke figuren in de kunst. Als ze dan ook wat destructief bezig zijn is de helft van de marketing al gelukt. De afgelopen jaren stond Amy Winehouse zeer regelmatig in de schijnwerpers, enerzijds had ze een heel aardig album gemaakt, maar anderzijds kon je vaststellen dat ze zo ongeveer op biobrandstof liep.
Er werd verbazingwekkend weinig over haar muziek geschreven, maar des te meer over…enz. etc.
Meer voorbeelden? Denk aan Pete Doherty, Sid Vicious of onze eigen Herman Brood…..
Ik durf te stellen dat 80% van de Nederlanders exact weet van welk hotel hij sprong, maar vraag ze niet 5 hits van hem te noemen, want ze komen niet verder dan “My way” (en dat had hij dan weer gemeen met Sid Vicious).
Nee, Herman was ons aller eigenste brood-junk, wereldberoemd in Nederland, want hij deed altijd zo leuk raar…

Goed, ik moet toegeven dat weinig van de mensen die ik “normaal” acht plannen hebben om van het Hilton af te springen, maar is het “normaal” om oranje geschilderd voor de TV te gaan zitten, veel geld uit te geven aan dingen die met een knal uit elkaar spatten of urenlang naar een scherm te kijken waarop andere mensen hun tanden poetsen, hun koffer inpakken om op vakantie te gaan of hele conversaties houden over het wel of niet kopen van een bepaald shirt?
Of, is het normaal om, zoals de jongens van de KLF, een miljoen pond te verbranden, zijnde de totale opbrengst van de verkoop van je platen? Uiteindelijk kregen ze hier zelfs een boete voor wegens het beschadigen van staatseigendommen. Wie is er nu eigenlijk excentriek????

dinsdag 16 november 2010

LEEVENDE MUZIEK

Een kennis nodigde me enkele weken geleden uit om langs te komen bij “Vrienden van Amstel  live”. Hij trad daar zelf op en mocht nog een paar kaarten uitdelen. Helaas had ik andere verplichtingen en bovendien geen idee wie daar verder allemaal optraden. Jammer, ik had hem wel eens willen zien optreden, hoewel ik bepaald geen liefhebber ben van “live-muziek”.
Over het algemeen probeert men zoveel mogelijk het op een geluidsdrager vastgelegde studiogeluid na te bootsen, hetgeen gedoemd is te mislukken omdat het geluid ten eerste vaak erg veel te hard staat en aan een studiomix nu eenmaal  veel langer geschaafd kan worden dan aan een optreden. Hiernaast beschikt men nu eenmaal niet over de effecten uit de studio die een opname laten klinken zoals hij tot stand is gekomen.
Ik weet het, dit is slechts een mening en ik weet dat velen het niet met mij eens zijn. Dit wordt mij keer op keer bewezen door de enorme horden Bob Dylan fans die ik op beurzen tegenkom en die er een eer in scheppen zowel zijn performance van “Like a Rolling Stone” in Steenwijk als zijn vertolking van “The times they are a-changin’” in Greenwich op bootleg te veroveren. Enfin, liefde voor live muziek zit hem vaak meer in de sfeer, lijkt mij.
Zo had ik jarenlang als meest saaie concert ooit in mijn boeken staan het optreden van de Eagles in de Kuip in 1995. Het euvel was wat ik hierboven reeds beschreef: men probeerde natuurgetrouw de platen te imiteren, hetgeen niet mogelijk is. Overigens leverde het debiteren van deze mening me ooit een conflict op met een goede vriend, die mij vertelde dit juist het concert van zijn leven te hebben gevonden. Waar nostalgie al niet goed voor is…
En toch, anderzijds klopt mijn stelling inzake live-muziek niet. Ik ben jarenlang een fervent bezoeker van North Sea Jazz geweest en heb met zeer veel plezier optredens bijgewoond van BB King, Pharao Sanders, Herbie Hancock, Zuco 103, Michael de Jong en vele minder bekende goden der jazz, blues en een tikje latin muziek. Dit is vermoedelijk te verklaren omdat men hier nu juist live de op plaat/CD gebaande paden ontweek en geheel nieuwe muziek gecreëerd werd op de diverse podia.
Concluderend dus, maar nogmaals, puur voor eigen gebruik: live muziek is OK, voor zover er iets wordt toegevoegd aan het repertoire van de betrokken artiest.
In dit kader nog een anekdote: Tijdens North Sea Jazz 1999 trad ook Saskia Laroo op. Zij is een trompettiste die het midden houdt tussen Candy Dulfer en Kyteman. In jazzkringen vrij commercieel dus. De zaal stond dan ook voor aanvang behoorlijk vol. Ik kwam zelf echter niet voor haar, want had gezien dat haar optreden verplaatst was. In haar plaats traden 3 mannen aan, waaronder één van mijn helden, Bill Laswell, één van de grootste talenten ooit op bas en ritme-gebied en één van de godfathers van de electro in de jaren 80. Naast hem stond John Zorn, avant-gardistisch saxofonist en op drums Mick Harris, de drummer van Napalm Death. Dit driemanschap, onder de naam “Painkiller” kreeg het voort elkaar om met hun mix van krijsende meeuwen, tandartsboren en dub-ritmes de zaal in 20 seconden leeg te spelen. We bleven met 14 personen over en vonden het machtig interessant. Over sfeer gesproken….

maandag 15 november 2010

Jagers/Verzamelaars

In de tijd dat geschiedenis op school nog werd gezien als een volwaardig vak, werd ons geleerd dat de bevolking van Nederland in de prehistorie met name bestond uit jagers/verzamelaars, althans, het mannelijke deel, want de emancipatie had nog geen opgang gemaakt  in ons gehele land.
Verder in de, toen nog canonloze, historie leerden we dat Darwin ons had geleerd dat genetisch bepaalde gedragingen nog heel lang konden blijven bestaan.

Dit laatste verklaart wellicht het feit dat het begrip “verzamelwoede” een met name onder mannen voorkomende “ziekte”is, welke zich uit in het verzamelen van postzegels, munten, stripboeken en dus ook geluidsdragers in al hun verschijningsvormen.

Reeds gedurende 14 jaar bezoek ik met enige regelmaat zogenaamde platen/CD-beurzen. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik dit weliswaar als handelaar doe, maar tevens hetzelfde probleem heb als de kastelein die niet van melk houdt. Kortom: I get high on my own supply.

En ik hoef echt geen dure items tegen te komen, o nee. Schaars misschien, maar vooral apart en niet alledaags. Om een idee te krijgen: Ooit al eens een CD in handen gehad met Bossa Nova bewerkingen van Disney titelsongs? Leuk hoor, zo’n Braziliaans ritme achter “Someday my Prince will come” (ja, heeft  Patricia Paay ook gedaan met een discoritme, en vergeet Miles Davis niet, maar ik dwaal af…)
Of een boxje met de geschiedenis van de ukelele? Uiteraard wordt daarop veel ruimte gemaakt voor de verrichtingen van George Formby, de Britse komiek uit de jaren 30 t/m 50 met dat enorme gebit, maar ook opnames uit de begintijd, toen het instrument nog slechts vanuit Hawaï, het land van herkomst, te beluisteren was.
Dichter bij huis wil ik u trouwens verwijzen naar het Nederlands Theater Instituut in Amsterdam. Zij zijn in het bezit van heel, heel erg veel oude opnames van Nederlandse artiesten van 1900 tot heden. Zo kan men daar muziek aanschaffen van illustere vooroorlogse namen als Pissuise, Bob Scholten, Jacques Urlus en natuurlijk Louis Davids. Het museum is overigens ook de moeite waard om eens te bezoeken.  Ik heb hier inmiddels mijn verzamelaarshart ruimschoots opgehaald.
Ongetwijfeld zal een psychiater enige dwangmatigheid in mijn behoefte aan een brede verzameling aantreffen, maar ik denk dat dit voor veel verzamelaars geldt. Wat te denken bijvoorbeeld van de man die op één van de eerste beurzen waar ik stond uit zijn dak ging omdat hij bij mij het singletje “Silver Machine” van Hawkwind aantrof. Absoluut een aardig nummer, maar…..deze man gaf mij een verhandeling van een half uur over alle 27 persingen die hij inmiddels in zijn bezit had, mijn exemplaar (inmiddels het zijne) was nu net die Duitse herpersing uit 1977 die hij uit Europa nog miste. Nu hoefde hij alleen nog die twee Noord-Koreaanse en die Nepalese….etc. enz.

Of die morsige man in regenjas (ja, sorry, dat is de enige juiste omschrijving) die achtereenvolgens geluidsdragers zoekt van: “Kylie Minook”, “Olivia Nieuwton Djon” en “Britnie Spiers”. Kortom: een blondjes-fetisjist.

Nou ja, ieder het zijne, en als het écht nodig is, heb ik altijd ook een CD met draaiorgelmuziek achter de hand, voor de echte hardcore verzamelaar….



zondag 14 november 2010

Alles komt een keer terug.



Je ziet het in de kleding die gedragen wordt, de kleuren van de interieurs, de auto’s en ja, ook en zelfs met name, in de muziek. Er wordt vaak terug gegrepen op eerdere vormen, kleuren en dus ook geluiden.
Zo was er enige jaren terug sprake van een heuse Eighties-revival, waarbij de oude postpunkperiode flink geciteerd werd door bijvoorbeeld Franz Ferdinand en The Editors. En ook kwamen de afgelopen jaren de big band-muziek, rock ’n roll en sixties al gerecycled voorbij.

Waarom toch? Waarom willen mensen (en dat is mezelf incluis) uiteindelijk toch altijd weer graag de muziek uit hun jeugd (terug) horen? En waarom is dus het gros van de populaire muziek vreselijk voorspelbaar, let wel, niet persé slecht, maar wel zeer doorslikbaar.
Een aantal jaren geleden las ik over een studie die hiernaar was verricht. Wat bleek? Mensen leren van muziek! Het komt er op neer dat iemand die zijn hele leven tot op heden aan muziek wordt blootgesteld (wij bijna allemaal dus) hierin onbewust patronen gaat ontdekken.
En dat niet alleen; deze patronen worden vervolgens ook verwacht in het eerstvolgende stuk dat men hoort. Ofwel: een melodie is uiteindelijk opgebouwd uit muzieknoten. Deze moeten dus zo achter elkaar staan dat dit aansluit op jouw beleving van een “normale”melodie. Als dit niet het geval is, doordat er bijvoorbeeld dissonanten in zitten of doordat je gewoonlijk een vrij eenzijdig aanbod gewend bent (en dit bedoel ik niet als oordeel) dan vind je zo’n nieuw aangeboden melodie al gauw niks byzonders, saai, of gewoon lelijk.
Dit verklaart bijvoorbeeld de hoge mate van afkeuring welke Stravinsky ten deel viel toen hij in 1913 zijn “Sacre du Printemps” voor het eerst in Parijs ten tonele voerde. Er zaten zodanige dissonanten en atonale passages in het stuk dat het publiek er simpel gezegd “niet klaar voor” was.

Dit stuk lezend vielen ook voor mij wat stukjes op hun plaats. Toen ik enige jaren geleden werkzaam was bij de platenmaatschappij welke de heruitgave verzorgde van “A love Supreme”, het briljante album van John Coltrane uit 1967, roofde ik een exemplaar uit de promotiekast om te beluisteren.
Dit viel verschrikkelijk tegen. Ik kon dit echter niet geloven. Iedereen die in mijn ogen iets zinnigs over muziek te melden had gaf op over de genialiteit van het album en ik hoorde alleen een partij noten die totaal geen samenhang leken te hebben. Ik heb de plaat diezelfde middag nog 7 keer gedraaid, ik moest en zou de logica doorgronden en…inderdaad. Het is nog altijd niet één van mijn favoriete zondagochtendplaten, maar enige schoonheid is er absoluut in te ontdekken.
Wat ik maar wil zeggen: Houd niet vast aan de muziek die u al kent, verken de grenzen, want geloof me: er is nog heel veel moois te ontdekken voor wie luisteren wil.

En op het vlak van herhalingen in de muziek nog het verhaal van iemand die hier veel over kon vertellen: In 1891 scoorde George Washington Johnson een enorme hit met het nummer “The Laughing Song”, een populair deuntje dat vooral opviel door het hinnikend gelach in het refrein. Hier werden gedurende de volgende 7 jaar honderdduizenden exemplaren van verkocht. Probleem was echter dat massaproductie van geluidsdragers in die tijd nog niet bestond, hooguit kon men 5 kopieën per opname maken. Het gevolg was dat George noodgedwongen ruim 40,000 keer in lachen heeft moeten uitbarsten om aan de vraag te voldoen.
Enfin, hij hield er gedurende 7 jaar een vaste baan aan over…..


zaterdag 13 november 2010

Popmuziek


Popmuziek.
Een woord dat al bestaat zolang wij ons kunnen herinneren, inmiddels.
In januari 1891 werd in Amerika (tja, waar anders) het blad “Phonogram”voor het eerst uitgegeven. In dit blad kon men lezen welke platen en wasrollen (want de gramophone-plaat was slechts 3,5 jaar daarvoor uitgevonden door Emil Berliner en was dus nog een noviteit) en ook welke artiesten op dat moment populair waren, ofwel de “Popular Music” uit die tijd. De afkorting naar “Popmusic”was vervolgens snel gemaakt.
En hier zit ik dan, 119 jaar later, me af te vragen of deze popmuziek genoeg te vertellen heeft om regelmatig een stukje over te schrijven. Al typend dwalen m’n ogen naar mijn CD-kast, kijkend naar de CD-serie “Jazz in the charts”, een honderddelige serie met muziek uit de periode 1936 tot en met 1946, met daarin alle bigbands die in de (ook weer Amerikaanse) hitlijsten verzeild raakten.
Sommige popmuzikanten zijn pas beroemd geworden ná (en soms zelfs dankzij) hun dood, maar van bijvoorbeeld Glenn Miller mag je stellen dat hij, voordat zijn  vliegtuig op die noodlottige 15e december 1944 in het Kanaal stortte, al enorme mensenmassa’s op de been bracht. In het voorjaar van 1940 had hij maar liefst 25 hits op rij, iets dat tegenwoordig alleen aan Michael Jackson voorbehouden is, en bij hem was het ná…enfin, u begrijpt wat ik bedoel.
Verder langs de boxjes van Sun Records en Chess Records,  de respectievelijke labels van Elvis en Chuck Berry (en heel veel anderen). De Beatles, zojuist opnieuw opgepoetst en nú nóg beter klinkend (alsof er al niet genoeg wasmiddelenreclames zijn).
De jaren 70, Vicky Leandros, oeps…een jeugdzonde noemen ze dat geloof ik,
mijn allereerste zelf gekochte LP, Nina Hagen Band en wát voelde ik me punk...
De jaren 80, door sixtiesliefhebbers steevast als “die verschrikkelijke jaren 80” aangeduid. Maar wat maakten The Smiths, The Cure en ja, zelfs de Fatal Flowers uit Amsterdam, een schitterende platen, hoewel die laatsten wel weer erg leenden uit die jaren 60.
In de jaren 90 werd het wat mij betreft pas écht spannend, alles kon en alles mocht en dus werden vroege psychedelica, jazz, hip-hop, house, wereldmuziek en rock leutig door elkaar gegooid onder het motto “cross over”. Luister eens naar Beck, Transglobal Underground, maar let vooral ook op niemand minder dan Miles Davis. Hij overleed in 1991, maar niet nadat hij ons een paar jaar eerder met de plaat “Doo-Wop” nog even het eerste echte jazz-hip/hop album naliet, waardoor hij het voor de zoveelste keer flikte voor alle troepen uit te marcheren.
En dan het heden: ik heb met mezelf ooit de afspraak gemaakt geen zure ouwe lulhannes te worden die vroeger alles beter vond, maar betrap mezelf er wel steeds meer op dat ik (bijna) “alles al een keer gehoord heb”.
Maar toch…ook dingen die bekend voorkomen, kunnen pareltjes opleveren.
Een paar tipjes van afgelopen jaar? Richard Hawley, DJ Hell, Animal Collective en “good old” JD Souther.
Hmmmm….als ik naar deze opsomming kijk, denk ik dat er toch wel één en ander te vertellen valt over popmuziek.