zondag 15 maart 2020

VOETBALFAN


Een lange witte baard. Daarboven een vrij grote neus, schijnbaar neergeboetseerd door een bijziende peuter tijdens de fröbel-les. Een paar helderblauwe ogen die zichtbaar meer hadden gezien dan ze eigenlijk hadden gewild met daar weer boven een paar imposante wenkbrauwen waar menig Sinterklaas-speler met jaloezie een stuk vanaf had willen plukken.
Het geheel werd afgemaakt met een verschoten spijkerjasje en een totaal verweerd lichaam dat, net als de gedragen kleding, al een tijd geen strijkbout had gezien.
Met ernstige blik stond hij de door mij aangeboden waren te bekijken, soms met een glimp van herkenning, dan weer met enige afkeuring.
Ik wachtte geduldig op zijn oordeel, enigszins beducht, daar mijn ervaring met dit type is dat ze meestal ellenlange betogen gaan houden over de eerste bassist van Herman’s Hermits die er nog in zat toen Herman nog Heinz heette en zonder wie de band geen schim meer was van de tijd dat….. Enfin….het soort gezwets waar platenbeurzen berucht om zijn…..
Het was een platen (en wat mij betreft uiteraard CD-) beurs in Rotterdam, de plek waar klaarblijkelijk normaal gesproken het aanbod schraal is want ik stond te verkopen als de spreekwoordelijke tierelier. Inmiddels had mijn toekomstige klant zijn keuze gemaakt, hij stond met een CD in zijn handen, geprijsd op 8 Euro. Ik zag hem weifelen, schatte zijn portemonnee en mijn omzet in en sprak: “Het mag ook voor 6 hoor”.
Er ontbrandden twee blauwe vreugdevuren, zijn baard maakte een draai in opwaartse richting en ik meende zelfs een soort glimlach tussen het witte struikgewas te ontwaren.
Uit de krochten klonk een verrassend diepe stem, helder maar met onmiskenbaar Rotterdams accent: “Je hebt een mooi aanbod”, sprak hij waarderend: “en deze plaat hoop ik dit weekend te kunnen draaien. Lekker hard, dat is één van de voordelen van een leven alleen. 6 Euro he? Dat vind ik nou attent van je. En dat voor iemand uit 020.”.
Ik corrigeerde hem vermanend: “Ik kom niet uit Amsterdam hoor! Ik heb wel het accent maar wij zijn toch echt Noord-Hollanders van boven het Ij. Dat is echt een wereld van verschil wat mij betreft. Ik kom trouwens best graag in Rotterdam, alleen er zijn hier nooit beurzen. Ik heb wel 23 jaar geleden nog in de Kuip gestaan, dat was toen best een leuke beurs.”
Bij het horen van de naam van de voetbaltempel lichtten de blauwe vuren nog verder op. “Ach ja, de Kuip”, zo mijmerde hij, waarna hij een uitgebreide verhandeling hield over het gebrek aan tweebenigheid van de moderne voetballers en dat de jongens van Feijenoord begin jaren 60 echt wel het beste team ooit vormden. Ik ben zacht gezegd geen voetballiefhebber maar het vuur waarmee hij zijn betoog hield sprak mij aan waarop hij, aangemoedigd, een bijna-liefdesverklaring aan Coen Moulijn begon. “Moulijn werd door veel mensen gezien als een wisselvallige voetballer”, sprak hij: “maar de man was een ware kunstenaar, hij verstond de kunst te vlammen als het nodig was!”
Hij vertelde dat hij bij de onthulling van het standbeeld van Moulijn in 2009 een gedicht had mogen voordragen. “Sterker nog”, zo sprak hij: “om je te bedanken voor je generositeit inzake de prijs van deze cd’s zal ik de eerste twee verzen hier declameren”.
Ik werd, zoals wel vaker bij deze paradijsvogels, nieuwsgierig naar het vervolg en moedigde hem aan van wal te steken. Wat volgde was heel bijzonder: de oude man richtte zich op, zijn ogen schoten vuur en met zeer welluidende stem declameerde hij een paar verzen waar weliswaar geen touw aan vast te knopen leek doch waar een zodanig bijzonder gebruik werd gemaakt van alle technieken die de Nederlandse taal hem bood dat ik zeer onder de indruk raakte. Toen hij door de twee verzen heen was verzuchtte ik: “Mooi!”
Wederom zag ik iets wat bijna een glimlach leek en hij vervolgde met nog een tweetal wonderschone en schier onbegrijpbare verzen. Toen hij klaar was, was ik me zeer bewust dat ik iets zeer bijzonders had meegemaakt. Hij zei: “Fijn dat je het kon waarderen, ik zal nu even de transactie afmaken, 6 Euro zei je, toch? “ Ik antwoordde: “Nee….nee, dit is OK. Jij hebt mij getrakteerd, ik trakteer jou, neem hem gewoon mee en wellicht tot ziens.”
Hij bedankte me en vroeg naar mijn naam. Ik noemde deze en vroeg hem naar de zijne. “Antoine!” zei hij. “Wel, Antoine, het was fijn kennis te maken, hopelijk tot een volgende keer”, zei ik en we schudden elkaar de hand.
En daar ging hij. De eerste voetbalfan ooit die mij bijna enthousiast maakte voor het spel.