vrijdag 23 september 2011

PLEELIST



Ooit, in een ver en vreemd verleden, in de vorige eeuw, om specifieker te zijn, was ik zo onbezonnen om een platenlabel op te willen zetten. Ik had een radioprogramma bij Waterland FM en had uit hoofde daarvan contact met diverse beginnende muzikanten. Omdat ik overtuigd was van het hemelbestormende talent van enige van hen, dacht ik dat het best lucratief kon zijn om daar iets mee te doen.
Aldus kwam ik in contact met een nogal eigenzinnige, maar wel erg aardige Duitser die, wonend in een groot huis met aangebouwde geluidsstudio, een CD in eigen beheer had opgenomen. Ik was flink onder de indruk van ’s mans kunnen en sprak in een doldrieste bui de dure woorden: “Ik ga ervoor zorgen dat jij in de hitparade komt.” Want hitparades, daar wist ik alles van. Na 15 jaar lang wekelijks de top 40 bestudeerd te hebben en bovendien inmiddels bij een grote platenmaatschappij werkend, mocht ik er, vond ik, van uit gaan dat ik een expert was inzake het wel en wee in de muziekindustrie.

Aldus geschiedde. Er werd een contract opgesteld tussen “de artiest” en “de maatschappij” dat er een stuk netter uit zag dan de contracten die artiesten meestal onder hun neus kregen (en ik kon het weten: ik maakte ze zelf!) en ik verwierf het recht op de singles die van het album zouden worden getrokken.

Er werden een A-kant en een B-kant geselecteerd en de masters  (de studiotapes, met daarop de “schoonste” opnames van de bewuste liedjes) werden verstuurd naar de perserij, zodat zij 1000 stuks konden persen, plus 1000 hoesjes. Kosten: 4000 gulden. Een flinke som, maar dat zou snel terugverdiend worden. Het was immers een steengoede track!
Vervolgens werd een plugger aangetrokken die de song a raison van nog eens 1000 gulden, zou gaan promoten. Enfin, na vier weken was de plaat een keer of 8 gedraaid op Hilversum 1 (het latere radio 2) in de Arbeidsvitaminen. En….Hans Schiffers vond hem goed!!!
Niets kon het succes in de weg staan, dus ik belde de distributeur om te vragen of er nog exemplaren bijgeperst moesten worden, ik lichtte enige kranten en tijdschriften in die het werkje zouden recenseren en/of opnemen in hun stukken en wachtte af.

Natuurlijk, psychologisch expert als u bent, kunt u reeds inschatten dat ik bovenstaand verhaal niet zo enthousiast zou hebben opgeschreven als er niet een totale anti-climax zou volgen. En die kwam ook: er werden welgeteld 4 exemplaren verkocht en de radio-omroepen vroegen zich af wat “het verhaal” bij de plaat was.
Daar ik een uitvoerige biografie van de artiest had bijgevoegd snapte ik de vraag niet helemaal. Ze wisten alles toch al???
Hoe dan ook: het momentum was voorbij en de stand bleef onverbiddelijk: 4 stuks.
De artiest en de maatschappij gingen, enigszins gedesillusioneerd, huns weegs.

Enkele jaren later fungeerde ik als manager business affairs voor het platenlabel van iemand anders. De inhoud van de functie was vrij variabel, onder anderen het aanprijzen van produkten bij buitenlandse partners was mijn taak. Zodoende kwam ik in Belgie enthousiast over de nieuwe release vertellen en kreeg uiteindelijk weer de vraag: “Jawel, maar wat is nu het verhaal achter deze plaat?” Na enige uitleg begon het me te dagen: een nummer wordt pas “opgepikt” door de radio als er een flink gefinancierde campagne achter staat. Als je dan ook nog je marketingbudget voor een flink deel besteed bij dezelfde radio-omroep is je kostje gekocht en wordt je al snel megahit, dance-smash of steunkous van de week.

Ofwel: jij geeft ons geld, wij draaien jouw plaat. Niks geen “wij vinden je muziek leuk”, dat is erg naïef om te denken.
Veel mensen zullen zeggen: “ja, wat had je dan verwacht???”
Maar tot op de dag van vandaag is het voor een totale muziekgek als ik volslagen onverteerbaar dat ook in Hilversum het geld regeert…..

woensdag 7 september 2011

HERSEN OBESITAS




Dit stukje gaat over kunst.

Zo.

Nu zijn alleen u en ik nog over.

Enige tijd geleden keek ik naar een uitzending van Zomergasten met beeldend kunstenaar Erik van Lieshout. Een zeer bevlogen man die ieder moment dat hij spreekt overduidelijk al bezig is 5 nieuwe ideeën te verwerken, waardoor hij soms wat onsamenhangend uit zijn woorden komt en regelmatig moest informeren wat de interviewer, schrijver Jelle Brandt-Corstius, nu eigenlijk ook weer gevraagd had. Derhalve was het gesprek soms wat moeilijk te volgen, maar zeiden de door de kunstenaar geselecteerde fragmenten des te meer over ’s mans beweegredenen en innerlijke gevoelens.

Zo was er een zeer indrukwekkend fragment met Klaus Kinski, opgenomen rond 1970, toen de man op het toppunt stond van zijn cultstatus. Hij was natuurlijk bij het grote publiek in eerste instantie bekend als  acteur, met name gecast in horrorfilms. Hiernaast genoot hij echter ook faam als speler op het grote toneel. De opname die werd vertoonde liet hem zien tijdens een performance waarbij hij een monoloog afstak over Jezus Christus. In eerste instantie beginnend als een soort uitzending van “Opsporing Verzocht”, waarbij op pseudo zakelijke wijze de personalia van Jezus werden opgesomd, zoals zijn uiterlijk, zijn kleding, zijn vermoedelijke verblijfplaats etcetera, werd het gaandeweg steeds meer een aanklacht tegen de zogenaamd verderfelijke ideeën die de man verspreid had. Aangezet met een fantastisch gevoel voor drama leverde dit een stukje zeer provocerend toneel op, hetgeen ook de toeschouwers, bestaande uit 3000 personen tot enige razernij bracht en uiteindelijk het podium meerdere malen werd beklommen door mensen die het niet met Klaus eens waren en dit luidruchtig wilden uiten. De theatermedewerkers hadden het er moeilijk mee en verzochten het publiek dringend op hun plaatsen te blijven tot meneer Kinski klaar was.
Meneer had zich intussen even teruggetrokken en kwam even later doodleuk terug en begon van voren af aan. Overduidelijk gemaakt in een tijd dat provocatie de norm was. Heerlijk om naar te kijken.

Hiernaast, en dat bleek uiteindelijk nog meer indruk op mij te maken, was er, onder veel meer, ook een kort fragment met een oudere Oostenrijkse kunstenaar. Deze man kwam slechts kort in beeld, maar poneerde een stelling die vrij gedurfd is, paradoxaal en, in mijn optiek, toch raak!
De man zei letterlijk: “Kunst en democratie gaan niet samen! Democratie in de kunst leidt tot fascisme!” Nu was ook deze man een kind van de jaren 60 en 70, de tijd dat het f-woord mijns inziens veel te veel misbruikt werd voor soms wat obligate zaken, maar toch klopt de essentie volgens mij wel.

Ik merkte dat ik weken later nog steeds mijn tanden stukbeet op deze stelling. Immers, hoe kon kunst, bedoeld ter verheffing van “het volk”, juist niet bepaald kunnen worden door dat zelfde volk?
Ik denk dat ik er uit ben….

Zie het als een hamburger van Macdonalds. Als je de gemiddelde Nederlander gaat vragen of deze lekkerder is dan een bord bietjes, dan kunt u nagaan wat het gemiddelde antwoord wordt. Maar waarom eten we dan niet massaal dagelijks hamburgers? Omdat er mensen zijn die beweren dat deze ongezond zijn. Als je er teveel van eet wordt je dik en ga je uiteindelijk een stuk vroeger dood.

Wel, zo is het ook met kunst. Juist nu hoor je steeds meer geluiden dat de meeste kunst geen enkel doel dient, dat boeken van Grisham of liever helemaal geen boeken, TV-programma’s van SBS 6  of de RTL-meuk (helaas is geen TV hier geen optie), en muziek die je in de kroeg hoort (uitzonderingen daargelaten) een stuk béter is dan “wat die vage figuren kunst noemen”.
Ik denk dat het andersom is. Teveel boeken van Grisham, SBS-series en “apres-ski-muziek” leiden tot vervetting van het denkvermogen en uiteindelijk een vroegtijdige hersendood.
Uiteindelijk gaan de recepten van deze rommel ook de tijd niet overleven. Natuurlijk wil dit niet zeggen dat er een verbod moet komen op “rommel”, soms is het snoepen van geestelijke hamburgers gewoon lekker. Maar, voor uw aller geestelijk welzijn, snoep verstandig, eet (af en toe) een “Appel”…… ;-)