HET (ON)BELANG VAN GELD
Pop-miljonairs. Tot pakweg 1960 bestond het verschijnsel vrijwel niet, enige uitzonderingen daargelaten. Het was dan ook een tijd waarin veel zaken nog moesten worden uitgevonden of gevormd. Het verschijnsel "auteursrechten" stond nog in de kinderschoenen, terwijl de begeleiders van de muzikanten, hun managers, in het beste geval goedwillende figuren waren met erg weinig kennis van de handel waar ze zich in begaven. Vaak waren het echter ook halve criminelen die geld roken en de vaak wat naieve creatievelingen graag van hun verdiensten afhielpen door het berekenen van flinke percentages. Een-tweetjes met platenmaatschappijen of boekers kwam dus veel voor. Kortom: iedereen werd financieel wijzer van de muziek, behalve vaak de artiest zelf.
Eind jaren 60 werden de artiesten iets uitgekookter, lerend van de fouten van hun voorgangers en wellicht had het feit dat de muzikanten meer uit studenten-kringen kwamen er ook iets mee te maken. Hoe dan ook: de percentages die ze uitgekeerd kregen werden hoger, er werd meer op hun rechten gelet en ze gingen ook vaak meer muziek of teksten zelf schrijven.
En zo ontstonden dus steeds rijkere artiesten die uit veel geldstromen hun deeltje meekregen. Muzikanten kwamen in steeds hoger aanzien, mits ze een hit hadden. Maar daardoor werd ook de druk om te "scoren" steeds hoger, platenmaatschappijen gingen steeds meer investeren in de carrieres van "hun" artiesten en wilden dus achteraf steeds vaker een deel van dat geld terugzien.
Heel lang ging dit goed. Ja, natuurlijk, er waren ook mensen die de druk niet aankonden: Elvis, Hendrix, Joplin, Kurt Cobain, maar de meesten deden braaf mee aan de race om zoveel mogelijk geld uit hun "product" te halen, want dat was de muziek inmiddels geworden.
Het mooiste bewijs van deze stelling vormt het feit dat eind jaren 70 veel "grote" artiesten "ineens" disco-platen gingen maken en in de jaren 80 vrijwel iedere grote popster van zijn voetstuk viel en het ene gedrocht na het andere op de markt werd gekwakt. Mensen als David Bowie, Bob Dylan, Paul McCartney, Van Morrison en Genesis maakten muziek die door de aalgladde jaren 80-producties totaal niet uit de verf kwam.
Inmiddels zijn we, met wat pieken en dalen, nu aangekomen in een tijd dat je helemaal niets meer hoeft te kunnen om "ster" te worden. Als je een leuk koppie hebt, een strak lijf en een keel waar bij voorkeur een hoop acrobatiek mee kan worden verricht dan wordt er al gauw een producer bij je gezocht die een plastic opzetje maakt waar jij als "concept" in past. Terug naar begin jaren 60 dus.
Het grappige is dat intussen de "ouwe lullen" die hun hits hadden in de jaren 60 en 70 en die in de jaren 80 door hun platenmaatschappijen in het keurslijf van hun producers werden gedreven nu vrij zijn om te doen wat ze willen. Ze zien er immers niet meer uit dus beantwoorden niet aan het model van de hedendaagse popster. Het gevolg is dat ze ineens een hoop mooie muziek zijn gaan maken. Mensen als Bruce Springsteen, John Fogerty, Roger Daltrey, Willie Nelson en Neil Young hebben de afgelopen 10 jaar betere albums gemaakt dan de 20 jaar ervoor. Er hoeft geen geld meer mee verdiend te worden, dat hebben of hadden ze al. En dus doen ze, eindelijk, weer waar ze goed in zijn: muziek maken.
Geld....wortel van veel kwaad, lijkt mij....