dinsdag 19 november 2013

DE MAATSCHAPPIJ


 

Artiesten, een vreemd slag.

 

Ooit, lang geleden, zijn zij, net als ieder kind, hun ouders heel veel belovend, hun eerste dag naar school gegaan. Afhankelijk van de leeftijd was dat de kleuterschool of groep 1 van het basisonderwijs. In deze groep of klas kwamen ze voor het eerst in contact met leeftijdgenootjes in flinke aantallen en natuurlijk een juf (kleutermeesters heb je vrijwel niet eigenlijk) die dan wel wat meer, dan wel wat minder van ze verwachtte.

 

Maar….vaak zat het er al vroeg in. Het kind was een beetje dromerig, niet super geconcentreerd met de les bezig, eigenlijk meer met de tekeningetjes die het maakte aan de rand van de schriftjes of de geluiden die de vogels en de graafmachines buiten maakten. En ondanks dat het uiteindelijk redelijk meekwam in de klas, maakte de onderwijzer(es) zich toch zorgen. Er zat zoveel meer in en dat kwam er gewoon niet goed uit!

 

Ouders hoorden het aan, zuchtten, en wisten dat dit eigenlijk al vanaf de vroegste jeugd het geval was. Hun kind zat als baby al soms uren voor het raam te kijken naar, ja, naar wat eigenlijk?

Dan was er wel enige concentratie en ook als er getekend of gekleurd werd. Maar zodra er iets moest…..nee.

En zo probeerde men het, hangen en wurgen, de lagere school werd doorlopen, de middelbare school met allemaal goedwillende leraren wier haren ook ter berge rezen door zoveel onverschilligheid, ja, de volwassenen hadden het maar moeilijk mee: dit kind zou nooit goed kunnen functioneren in de maatschappij!!!

 

Daar wisten ze immers alles van, de eisen die gesteld werden waren steeds hoger geworden en degene die daaraan niet voldeed kon het wel vergeten.

Wat kon die persoon eigenlijk vergeten? Wel, het uitzicht op een goede baan, een goed inkomen en alles wat leuk was.

 

Het kind haalde de schouders op, nam een baantje aan en ging intussen door met zijn passie: muziek maken, tekenen, beeldhouwen, kortom: al die zaken die volgens velen alleen maar bedoeld waren als vrijetijdsbesteding. En misschien was dat wel zo. Maar het was niet voor niets een passie, het kind, dat inmiddels een volwassen persoon geworden was, kon alles vergeten als hij daarmee bezig was.

Jaren gingen voorbij, dan weer in het ene bandje, dan weer samen met een zangeres, dan weer een coverband voor bruiloften en partijen. En ineens was het daar: het eerste album, het nummer op Youtube, de radiohit, de optredens op Lowlands.

Maar, zo zeiden zijn ouders nog altijd, dit is natuurlijk allemaal tijdelijk, volgend jaar is iedereen je weer vergeten en dan kun je weer een baantje zoeken.

 

Ja…natuurlijk…

 

Maar zou het niet kunnen zijn dat een persoon juist zijn leven inricht op andere zaken dan goede banen, goede inkomens enzovoorts??? Of ben ik nu teveel een romanticus.

Alles is uiteindelijk tijdelijk, inclusief het leven zelf. En ja, natuurlijk kun je instappen en meedoen aan de zogenaamde ratrace en hopen dat jij degene bent die uiteindelijk bestuurder wordt van, vul maar in. Als je je daardoor gesterkt voelt en daar bevrediging uit haalt is daar niets mis mee, mits je niet doorschiet, zoals zoveel managers helaas nog wel eens doen.

Maar evenveel bewondering verdient hij die besluit zijn leven in te richten naar eigen gevoel, niet naar dat van anderen. En als die persoon daarmee wegkomt dan verdient dat naar mijn mening des te meer respect. Vind ik dan…

zondag 27 oktober 2013

BUSH DOCTOR




Hoe vaak zou daadwerkelijk de tekst  “Ik hou van jou, ik blijf je trouw” zijn gezongen in een lied?
 Ik schat zo in dat Frans Bauer er nog het dichtst bij in de buurt kwam, vraag me niet met welk nummer want in mijn oren lijken ze allemaal eender. Het enige nummer dat mij ooit van Frans Bauer echt bij zal blijven is zijn versie van Du Hast van Rammstein, waarop overigens ook zijn band een briljante rol speelde. Maar nu dwaal ik af…

Enige tijd geleden zat ik ergens midden in de natuur (nou ja, in een riante caravan, toch weer een Frans Bauer-gevoel) te luisteren naar een album uit mijn verre jeugd: “Bush Doctor” van Peter Tosh. Destijds vond ik het al een mooie plaat, uitgezonderd het duet met Mick Jagger dat er op stond. Dat kwam trouwens niet omdat dat nummer zo slecht was, maar gewoon omdat ik het destijds echt veel te vaak had gehoord.

Wat mij niet vaak overkomt: ineens vielen mij de teksten op.  Ja, het was allemaal intelligent gemaakte reggae, mooie arrangementen, gitaren, blazers, lekker diepe bassen, muzikaal zat het gewoon lekker in elkaar. Maar wat me nu opviel: geen enkele tekst ging over meisjes, gebroken liefdes of over de zonneschijn die toch veelal aanwezig was op Jamaica, het eiland waar de meneer vandaan kwam. Nee, dat was het bijzondere: ondanks de “zomerse” klanken (het cliché van de reggae) waren de teksten beschouwend, bijna zwaar zelfs hier en daar.

Natuurlijk: als je een nummer hoort met de titel “Legalize Marihuana!” kun je dat beschouwen als een feestnummer pur sang, maar het verschil is dat meneer Tosh het bloedserieus bedoelde! Hij zag de criminaliteit op zijn straatarme eiland en zijn hart bloedde. Hij zag de repressie van de regering die tegelijkertijd zichzelf verrijkte en besloot dus dat deze relatief onschuldige drugs beter gelegaliseerd konden worden. Juist de strafbaarheid maakte het product schaars waardoor velen zich verder in de armoede stortten om hun verslaving te kunnen bekostigen. Overigens zouden dergelijke teksten in 1987 leiden tot zijn vroegtijdige dood, hij werd vermoedelijk in opdracht van de regering gedood door overvallers. Mijn broertje, die een groot fan was, was een dag flink van slag.

Ook een nummer als “Pick Myself Up” lijkt op het eerste gezicht een vrolijk nummer, gekwetter van vogeltjes, Peter Tosh die zelf in de ochtendzon onder een boom zit, je voelt gewoon het mooie weer in zijn botten. Toch moet hij zichzelf aanpakken en zorgen dat hij ook kan vliegen als die vogeltjes, zo spreekt hij zichzelf toe. Tja…het idee kan hem natuurlijk ingegeven zijn door diezelfde marihuana. Maar logischer is het dat hij weer eens aan het werk moest en zichzelf moed insprak om door te gaan met waar hij mee bezig was.

En zo ging hij nog even door met zijn overpeinzingen, beschouwingen en spirituele bevlogenheid. Tekstueel een erg sterke plaat (muzikaal was het dat al). Het geheel eindigt met een lofzang op “Jah”, de man was een echte rastafari en aan het slot hiervan hoor je de haan drie maal kraaien. De man heet uiteindelijk niet voor niets Peter…..Misschien ben ik een zeurpiet, maar op zo’n moment denk ik wel eens: Als de meeste Nederlandse tekstschrijvers maar een klein beetje van deze beschouwende teksten zouden overnemen, zou de radio een stuk minder saai zijn.

maandag 23 september 2013

GRIMPER SUR UN ARBRE




Wat is dat toch met die Franse taal? Na 3 HAVO liet ik het vak juichend en als een brok graniet vallen om vervolgens nooit meer een samenhangende zin in de taal van Frankrijk en Wallonië uit te spreken. Voor zover ik het zou willen, zou ik het nimmer meer kunnen. Sindsdien heb ik me nog wel enigszins bekwaamd in het Duits en in meerdere mate in het Engels, wat ik nog bijna dagelijks gebruik op gezichtenboek en in contact met klanten.

Maar, en nu komt het vreemde, anderzijds ben ik verslingerd aan de onwaarschijnlijk mooie chansons welke gedurende de jaren 70 en begin jaren 80 over ons werden uitgestrooid middels de zenders welke ook de Tour de France tot ons brachten. Julien Clerc, Gilbert Becaud, Jacques Dutronc, Michel Sardou, Gerard Lenorman etcetera, enzovoorts. En nu heb ik mij nog beperkt tot een klein aantal mannelijke chansonniers, maar zelfs “onze eigen”Wende klinkt een stuk fijner als ze in het Frans zingt. Wat is dat toch???

Ik begrijp er vrijwel niets van, maar het is zo overduidelijk meer poëtisch dan andere talen dat de teksten zelfs mooier zijn dan andere teksten die ik niet versta. De laatste jaren worden er trouwens haast geen Franstalige nummers meer op de radio gedraaid. Wellicht heeft dit ermee te maken, dat het inmiddels een bui van nostalgie en melancholie is die mij overvalt en mij doet terugdenken aan die hele lange zomers, toen de Tour nog 7 weken duurde en Peter Winnen iedere bergetappe won, zelfs degenen waar Hinault en Fignon als eersten arriveerden. Mooie tijden.

Maar nee, als ik Michel Sardou hoor zingen over Les Lacs du Connemara, dan geloof ik direct dat hij daar geweest is, dat zonnestralen de eeuwigdurende Ierse wolkenpartijen doorbraken, kijkend naar de kuddes wilde paarden die precies op dat moment door een ondiep deel van zo’n meer galoppeerden, zoekend naar de geheimzinnige vrouw in de rode jurk die ooit in de diepten was verzonken tezamen met haar kasteel en slechts eens in de honderd jaar vanuit de mist oprijst, wachtend op haar minnaar. En ik hoor het verlangen naar liefde dat uit zijn woorden spreekt.

Tja, hoe mooi Nederlanders en Engelstaligen hun teksten ooit ook schrijven, ze zullen nooit en te nimmer kunnen tippen aan de sprookjesachtige dichters uit het rijk van Karel de Grote, dat staat voor mij meer dan vast.

Enfin….. de Franse taal dus. Taal der liefde zegt men wel, maar ik versta deze dan dus blijkbaar niet, armzalige sterveling die ik ben. En dan komt er vaak een moment dat ik denk: “kom, laat ik eens een cursus gaan doen, Frans voor nitwits.”
Maar nee, allereerst ontbreekt het mij aan de tijd en ten tweede ben ik bang.
Bang dat het uiteindelijk vinden en horen van de juiste woorden en verhalen zullen zorgen dat ik tot de ongelooflijke ontdekking kom dat de teksten van even droevig allooi zijn als het gemiddelde Toppers-geblaat dat ons via de diverse zenders tegemoet komt.

En dus pak ik een oud transistorradiootje, stel hem af op dat kanaal waar Ce n’est rien op gedraaid wordt en door het geruis van 40 jaar heen luister ik naar de belofte dat die zonnige tijd terug zal komen, dat onze wielrenners weer zullen winnen en heel, heel even, meen ik zelfs een oude man met een grote bril achterop een motorfiets te ontwaren, in uiterste opwinding over de verrichtingen van “onze jongens”…..


zaterdag 24 augustus 2013

PLATENZAKEN




Zittend in de Amsterdamse Stadsbus, zonder kaartje uiteraard, want wat is het leven zonder spanning. Doelloos kijkend naar de voorbijrijdende winkelramen, één der laatste melkboeren, een onduidelijke kledingzaak die betere tijden heeft gekend en….alarm!!! een platenzaak!!!
Ik druk snel op het knopje, stap uit en stuif naar het raam dat ik niet eerder zag….
Bovenstaande is een vrij accurate omschrijving van hoe ik een deel van mijn studietijd doorbracht. Als ik iets minder gemotiveerd was om lessen te volgen ging ik altijd misbruik makend van het openbaar vervoer de stad doorkrossen, zoekend naar platenwinkels die ik nog niet kende.

In 1986 kende Amsterdam er nog vele in alle soorten en maten. Alleen al rond de hoek Bilderdijkstraat/Kinkerstraat zaten er 5 zeer dicht bij elkaar, elk acterend in een verschillend segment. Mijn favoriet was Forever Changes, een klein zaakje met een eigenaar die zijn sporen had verdiend in het Amsterdamse krakers-circuit. Hij had op de toonbank altijd een doosje met punksingles, in waarde oplopend tot 200 gulden (u weet wel, die kansloze voorloper van de Euro). Maar de reden dat ik er kwam was dat er LP’s stonden voor 5 gulden per stuk en dat waren echt de nieuwste titels. Achteraf hoorde ik dat deze kwamen van een vooraanstaande VPRO-DJ. Ik heb er heel wat moois weggetrokken, Robbie Robertson, Labi Siffre, Latin Quarter en zo verder.
Soms kon ik niet geloven dat een plaat zo goedkoop was, maar de eigenaar corrigeerde me dan met harde hand: “Hoezo, wil je er dan 10 gulden voor betalen??? Nou, zeur dan niet en neem mee dat ding!!!” Het was een man met een groot empathisch vermogen, maar soms kwam dat niet helemaal uit de verf.
Op het Osdorpplein had je Disco Alberti, jawel de zaak van Willie en zijn broer Tony. Daar heb ik mijn 100e LP gekocht, Phantom of the Night van Kayak (de 99e kocht ik toen ook, maar dat was die van Europe, dat klinkt al iets minder).
En aan het eind van de Johan Huizingalaan, op de kruising tegenover het Anthonie van Leeuwenhoek-ziekenhuis, was een lief winkeltje, Capriccio genaamd. De eigenaren hiervan waren 2 oudere heren, ze waren eind jaren 50 de winkel begonnen en hadden eigenlijk sindsdien weinig aan de sfeer veranderd. Langs de muren stonden grote bakken met klassieke LP’s, daar hadden ze het meest verstand van. Gaandeweg was er echter steeds meer meubilair bijgekomen en inmiddels stond er dus een allegaartje van opbergsystemen voor LP’s, cassettebandjes en zelfs een paar CD’s. De toonbank was ooit achterin de winkel gesitueerd maar inmiddels was Slotervaart van een middenstandswijk toch iets verloederd en dus werd je nu bij een klein kassameubel naast de deur opgewacht.
Toen al hopend op een carriere in platenzakenland heb ik nog gesolliciteerd naar een functie als zaterdaghulp maar de minzame eigenaar met de breedomrande bril kuchte even, keek naar buiten en antwoordde met dat geweldige articulerende jaren 50 zwart-wit-TV accent van hem: “Neen, ik ben bang dat bruin dat niet kan trekken, “ want het was weliswaar een ras-Amsterdammer, maar tevens een keurige heer.

Enige jaren later waren ze weg, vermoedelijk met pensioen. Ik mis ze wel, al die platenzaken, al die verhalen en al die liefhebbers op hun eigen manier. Disco Helsloot, Crescendo, Unico Glorie, Hesse en al die anderen die mijn studietijd verlichtten met de mooie muziek van voorbije jaren.

Daarom alleen al juich ik iedereen toe die nu nog steeds dit ambacht oppakt

woensdag 17 juli 2013

HET LUIKJE





Ieder mens heeft zijn of haar eigen verhaal. Zelfs veel dingen die ons omringen hebben een verhaal. En al die verhalen bewegen zich, als in een onzichtbare dimensie, om ons heen, wachtend tot iemand ze uit de lucht plukt en openbaar maakt.

Soms kost dat een hoop moeite, drijft een verhaal jarenlang rond zonder dat iemand zich er om bekommert. Soms ligt het ook voor het grijpen, vlak onder de oppervlakte.

Jaren geleden fietste ik dagelijks van Amsterdam-Centrum naar Hoofddorp op en neer, 25 kilometer vice versa. Hierbij kwam ik dwars door Badhoevedorp, net als alle andere dorpen in de Haarlemmermeer een onooglijk gat met slechts één platenzaak.
Halverwege het dorp stond aan de doorgaande weg een klein, door klimop verzwolgen, huisje met een hoge onregelmatige heg ervoor. Echt zo’n oude-mensen-huisje, waar je binnen ongetwijfeld de jaren kon voelen en ruiken, kerstkaarten opgestapeld lagen in een hoek en amechtige sanseveria’s hun éénvingerige bladen trachtten overeind te houden in hun stille dans met te weinig vocht en teveel zonlicht.
Voor dat huisje zat dagelijks op een fragiel bankje een al even fragiel echtpaar, hoge tachtigers naar hun jaarringen te oordelen. Ze leken weggeplukt uit een tijd dat de melkboer ’s ochtends nog zijn paard stilhield om een praatje te maken, het opgemaakte buurmeisje ’s middags nog uit de paardentram stapte vanuit haar dienstje in de grote stad en Ot en Sien nog hoepelend de stoepen onveilig maakten. Ik kon me tenminste niet voorstellen dat hun ogen het asfalt bespeurden dat voor hun neus was neergedaald, de te grote auto’s die af en aan reden en al zeker niet zagen ze de zelfbenoemde stadswielrenner die dagelijks de rit tegen de bus won.
Op een dag zat er nog slechts één, ik wist niet of het de man of de vrouw was, de schok was me te hevig. En kort erop geen één meer. Het huisje werd afgebroken en verhalen waren afgesloten.

Tijden later een ander verhaal, zeer indringend en aangrijpend dit keer, een rouwadvertentie die een Joodse vrouw die bijna 90 was geworden voor zichzelf in de krant had gezet. De exacte tekst weet ik niet meer maar de strekking was:
“Met mij zijn nu eindelijk jullie stemmen gedoofd, lieve pap en mam, we hebben elkaar bijna 20 jaar gekend voor iedereen die ze ooit gehoord had door moordenaarshand is omgekomen. Ik heb jullie echter mijn hele leven bij me gedragen en nu wens ik jullie met mij je rust toe.”

Ik moet zeggen dat deze laatste indringende boodschap me meer deed dan menig Dodenherdenking. Anderzijds werd ik getroffen door de schoonheid van het verhaal. De gehele gruwel van de Tweede Wereldoorlog gevat in 2 zinnen…

Tot slot een stuk dat ik enige jaren geleden las in een plaatselijk blad. Het was geschreven door een Engelse dame die klaarblijkelijk jarenlang met haar man samen in Monnickendam had vertoefd gedurende de zomer. Inmiddels was ze op hoge leeftijd, haar man was overleden, maar ze liet ons, Monnickendammers, weten wat een gelukkige tijd ze bij ons had doorgebracht en dankte ons, mede namens haar man, heel hartelijk voor de fijne jaren die ze bij ons mochten beleven.

Zomaar…drie verhalen, drie mensen. Opgeslagen achter een luikje in mijn hoofd, wachtend om losgelaten te worden.

Ik hoop dat wat zich achter dit luikje bevindt, nog lang intact mag blijven, het zou zo zonde zijn van die verhalen….