maandag 27 december 2010

DONKERE DAGEN EN KOUDE KLANKEN



Ik ben een kind van de jaren 80, vanaf 1979 volg ik bewust de popmuziek. In die tijd kwam praktisch alle populaire muziek nog uit Engeland en, in iets mindere mate, uit Amerika. Uiteraard werd ook in Nederland muziek gemaakt, maar er waren slechts een handvol écht goede bands en de, in mijn ogen onbegrijpelijke, voorliefde voor het  “volkse repertoire” had nog geen opgang gemaakt, enkele produkties van Pierre Kartner daargelaten.
Een band als Abba was dan ook in die zin een vreemde eend in de bijt, omdat ze uit het exotische Zweden kwamen. Nu was dit nog enigszins verklaarbaar doordat ze het Eurovisie songfestival hadden gewonnen, u weet wel, dat festival waar Nederland tegenwoordig keer op keer door het ijs zakt wegens gebrek aan zelfs commercieel talent, maar toch…

In 1983 kwam daar het kortstondig fenomeen Mezzoforte bij, een band uit Ijsland die een pittig partijtje fusion speelde, vooral live. Maar verder was Scandinavië muzikaal ondervertegenwoordigd.

Dat veranderde snel in de jaren 90. In de hitparade werden we geteisterd door bands als Ace of Base, Dr. Alban en Aqua (kent u ze nog? Hun grote hit  “Barbie girl” werd op hilarische wijze gecovered door Rita Reijs. Nét buiten de hitlijsten behaalden echter Björk (Ijsland), 22 Pistepirrko (Finland), Motorpsycho (Noorwegen) en Saybia (Denemarken) aardige resultaten.
Hiernaast bevond zich in met name Noorwegen een flink contingent black-  en deathmetalbands.
Tegenwoordig is het helemaal bal: Progmetalbands als Opeth, techno-artiesten als Biosphere en li-la-luisterliedjes van Kings of Convenience verdringen zich om de aandacht van de gemiddelde alternatieve luisteraar. Ik beperk me hier bewust even, anders kan ik deze hele column vullen met een lijst artiesten en bands.
Maar…hoe kan dat nou? Hoe kan een qua populatie zo klein gebied zóveel moois ten gehore brengen? Sociologen hebben er wel een verklaring voor. Doordat in het “hoge noorden” de dagen gedurende de winter erg kort zijn, zeg eigenlijk maar, niet aanwezig zijn, hebben veel mensen daar aanleg voor depressieve buien. Het is algemeen bekend dat dit, gepaard gaande met wat creativiteit, vaak leidt tot originele ideeën.
Voorbeelden? De componist Edvard Grieg wist met zijn Peer Gynt-suite toch een bepaalde sprookjesachtige sfeer op te roepen. En denk eens aan het schilderij “de schreeuw” van, alweer, Edvard Munch, zó veel angst is in een schilderij zelden uitgebeeld.
Maar ook lieflijker dingen als de beelden van Vigeland, de Noorse beeldhouwer die in Oslo een schitterend park heeft aangelegd met mensfiguren die zó lijken te kunnen weglopen en soms gewoon zeer aandoenlijk zijn. Ik moest in ieder geval wel iets wegslikken bij zijn kinderfiguren.
Een absolute aanrader voor wie ooit naar Noorwegen gaat.
En tot slot natuurlijk Henrik Ibsen, de 19e eeuwse schrijver die in eerste instantie verantwoordelijk was voor het verhaal van Peer Gynt.
Tja, Scandinavie dus, land van sprookjes, trollen, natuur en rust. Je zou bijna vergeten dat de aard van het land (het duistere dus) ook met zich meebrengt dat er veel alcoholisme heerst.
Goed voor de overheid, want de accijnzen op alcohol zijn er immens. En met de opbrengst worden weer culturele doelen gesteund. Ja, het klinkt als een Luilekkerland voor linkse hobbyisten…
Wat mij betreft is het zelfs al bijna zo ver dat, als ik in een recensie lees dat een orkest, artiest of band uit een Scandinavisch land afkomstig is, dit bij mij automatisch tot enige interesse leidt.
Mag ik het zeggen: zelfs Abba!

dinsdag 14 december 2010

Stilte




Luisteren naar Stilte. Iets dat iedereen van tijd tot tijd doet of zou moeten doen. Het mag vreemd lijken een column over muziek te wijden aan iets dat in eerste instantie tegengesteld lijkt. En toch: ook muziek kan niet zonder…

Sterker nog: het is de basis van ieder muziekstuk. Uiteindelijk begint iedere componist met een leeg vel en heeft op dat moment dus de absolute stilte op papier. Steve Reich, modern avant-gardistisch componist, liet het in één van zijn stukken zelfs zo. Met als gevolg dat, toen het stuk, 4’33” genaamd, werd uitgevoerd, deze titel ook al het tastbare was wat aanwezig was. Het publiek werd vergast op 4 minuten en 33 seconde absolute stilte, hoewel: de bedoeling was juist aan te tonen dat dat niet bestond, dus bestond de muziek uit de aanwezige achtergrondgeluiden, waaronder uiteindelijk een boos publiek.
Muziek in zijn meest existentiële vorm, dus in wezen. En waarom ook niet? Zodra hij iets op de notenbalk zou hebben gezet, zou het effect wellicht pompeus zijn geweest. Stel dat het maar 3 noten waren in die tijd, eind jaren 50, dan had men hem waarschijnlijk beschuldigd van interessantdoenerij, maar geheel niets….

Je kunt er zelfs de humor wel van inzien, vele mensen die naar een muziekuitvoering komen en een stuk voorgeschoteld krijgen waarin absoluut niets gebeurd. Toen ik het voor het eerst hoorde vond ik het ontzettend cool, eigenlijk.

Eén stap verder en je komt bij de ambient Music. Er wordt gezegd dat Brian Eno hiermee de eerste was. Zijn album “Music for Airports”uit 1977 wordt genoemd als eerste ambientplaat ooit.
In de jaren erna, begin jaren 80, ontgroeide deze muziek de cultstatus nauwelijks, waarna de new-age-beweging ermee aan de haal ging met soms, best wel, tenenkrommend resultaat.
Toch zaten ook daar pareltjes tussen, ik heb een CD met 60 minuten lang geluiden uit het regenwoud. Ook heb je CD’s met zeegeluiden, inclusief zeemeeuwen etc. etc.
Enfin, ik kan me er iets bij voorstellen voor wie in Nederland een punt, een moment van stilte zoekt.
Probeer het maar eens, u zult zien dat het in ons drukke landje vrij moeilijk te vinden is. Ik weet er één, maar ik vertel lekker niet waar. Niet dat ik bezitterig ben, maar het vertellen zou het punt kunnen bederven, dus houd ik het liever voor mezelf. De afgelopen 15 jaar is de ambient Music vooral het terrein geworden van componisten van elektronische muziek.

Zij hebben manieren gevonden om de stilte te omkleden met de meest fantastische geluiden uit hun apparatuur. Eén grote naam in het genre is Biosphere, alter ego voor Geir Jenssen.

Deze man woont in het hoge noorden van Noorwegen en tovert uit zijn apparaten het geluid van kruiende bergen ijs (of tenminste zoals ik me voorstel hoe dat zou klinken, ik heb geen idee, wellicht weten de bewoners van het Paard van Marken meer?) Zet het op en luister naar deze geluiden en soms overduidelijk achterstevoren afgespeelde flarden van melodieën en je komt geheid tot rust. Of juist niet, want er zit toch ook een zekere spanning in de muziek waar sommige mensen slecht tegen kunnen.

En nu, om u wat rust te gunnen, stop ik, laat dit vel verder leeg en laat u alleen met wat…stilte…..

maandag 13 december 2010

Mijmering aan het strand


Afgelopen zomer was ik op Iona, klein eilandje voor de Schotse westkust dat wordt gezien als de bakermat van het Christendom in West-Europa.
Op een zonovergoten dag bevond ik mij op het spierwitte strand, vrijwel alleen, dat kan daar nog. De zee was rustig, de eilanden in de verte goed zichtbaar en mijn gemoed “at ease”.
Niets wees er op dat dit strand ruim 1000 jaar geleden de plek was geweest waar de monniken uit het klooster van St. Columba bloedig werden afgeslacht door binnenvallende vikingen, gelukkig maar, ik houd van wat rust op het strand.
Daar zittend kwelde mij echter één vraag: die ochtend had ik in de winkel gestaan van het “Iona Community Center”, een oecumenische organisatie die zich daar bevindt en waar men kan vertoeven, doch dit terzijde. In die winkel lag een flink aantal CD’s. Omdat ik al ruim een week zonder muziek had doorgebracht, in mijn geval een beproeving, was ik meer dan geïnteresseerd.
Nu mag ik zeggen dat ik inmiddels redelijk wat artiesten ken, doch hier lag er geen één bij die me wat zei. Toen besefte ik dat dat eigenlijk altijd al zo geweest is, religieus getinte popmuziek maakt zelden de overstap naar zogenaamde contemporary Music, behoudens wat spiritualzangers als Mahalia Jackson.
Vreemd eigenlijk. Aan de muziek ligt het vaak niet meer. Ja, eind jaren 80, begin jaren 90 luisterde ik heel soms naar de EO en was wel duidelijk waar het aan schortte. Vaak draaide men daar Amerikaanse sterren als Amy Grant, Michael W. Smith en Ralph van Maanen die zowel muzikaal als productioneel behoorlijk gedateerd klonken.
Hun fans gingen vaak ook meer voor de teksten en daar kon ik, als muziek-, doch niet als tekstliefhebber, helemaal niets mee.
Er was overigens één belangrijke uitzondering: Van Morrison maakte in1989 het geweldige album “Avalon Sunset”. Nu was, en is, Van natuurlijk wel afkomstig vanuit de “gewone” popmuziek, maar toch: hij bewees dat het wél kon. Bob Dylan trouwens ook, maar zijn fans begonnen wel wat te morren zo langzamerhand. Logisch, ook hij moet het meer van zijn teksten hebben en voor overtuigd atheïsten was er op dat gebied aan Dylan geen eer te behalen. Muzikaal waren zijn jaren 80 trouwens ook niet bar, een euvel waar meer dino’s last van hadden in die tijd.
Begrijp me overigens niet verkeerd, andersom was er ook geen sprake van een crossover. Al in de jaren 50 sprak de zwarte gemeenschap in Amerika er schande van dat mensen als Sam Cooke en Ray Charles gospels gebruikten als basis voor popsongs. Eerstgenoemde werd er zelfs voor uit de “Soul Stirrers” gezet, een erg populaire gospelgroep waar hij de leadzanger van was.
Maar ook de gemiddelde EO-jongerendag-bezoeker liet zijn, of haar, gezicht niet zien op Pinkpop. Stel je voor dat je in aanraking kwam met metal, waarvan bekend was dat, als je het achterstevoren draaide, er verborgen boodschappen tevoorschijn kwamen.
Nu heb ik Metallica live nooit achterstevoren horen spelen,  misschien zouden ze dat trouwens eens moeten doen, zou een stuk beter klinken.
Wat ik maar wil zeggen is: Ik ben onlangs begonnen mijn verzameling religieus getinte muziek uit te breiden, niet zozeer uit overtuiging, doch meer om te constateren dat ook hier pareltjes tussen zitten. Band als Iona en Eden’s Bridge (Keltische folkpop) en Adrian Snell, zeg maar de Alan Parsons van de relipop, maken zeer verteerbare muziek. Voor wie het horen wil……

donderdag 9 december 2010

Meditatief Moment


Soms moet een mens er even helemaal uit.
Afgelopen zomer was ik in Schotland, waar ik, alleen, 2 weken heb gefietst. Zónder muziek. Dat laatste was wel wat drastisch, maar droeg wel bij aan wat helderder overpeinzingen.

Het schijnt dat je rond je 40e (ik ben 43) op een punt komt dat je je bewust wordt van je sterfelijkheid. Nu maak ik me op dat punt volstrekt geen zorgen, maar ik had toch enige retrospectieve neigingen.
Dwalend door mijn herinneringen kwam ik bij mijn jeugddromen. Ik wilde:
1)      Een platenzaak beginnen.
2)      Werken bij een platenmaatschappij.
3)      Zelf muziek uitbrengen.
4)      Miljonair worden.
Wel, 3 van de 4 zijn gelukt en de 4e zie ik het nut niet langer van in. Een score die weinigen gegeven is, vermoed ik.

En toen dacht ik: Zou dit nu ook gelden voor popartiesten? In eerste instantie wel, waarschijnlijk. Maar wat als “het”niet meer lukt? Ga er maar aan staan: je bent rond de 20, verkoopt miljoenen platen en ineens is het over en wil niemand je meer. Een cliché?
Ik heb het van nabij meegemaakt en geloof me, het zijn zeer sterke schouders die de weelde van succes kunnen dragen. Voorbeelden?
Kurt Cobain, kon de druk tot presteren niet aan, pleegde zelfmoord (waren we hem in 1994, het startjaar  van MCA Nederland,  trouwens erg dankbaar voor, alle verkooptargets werden gehaald). Rob Pilatus, Milli Vanilli, u weet wel, gleed af in drugs en is inmiddels ook niet meer. En wat te denken van alle “beroemde”drugsdoden:  Janis Joplin, Sid Vicious, John Coltrane,  stuk voor stuk jonge mensen die er écht niet mee konden omgaan. Tragisch…en bovendien onnodig. Vaak wordt hen aan alle kanten alleen maar verteld hoe geweldig ze zijn. Niemand die hen begeleidt en af en toe even terug op aarde duwt. Kan er geen school voor managers komen die dit in het pakket opneemt? Rockacademie, doe je plicht!

Overigens hoeft niet alleen succes tot drama’s te leiden. Juist het gebrek hieraan kan ook een probleem zijn. Nederland, en de wereld, is gevuld met would-be muzikanten die erg graag meer hadden gewild en op hun 40e/50e meer studio-apparatuur bezitten dan Wisseloord (nou ja, bij wijze van spreken). Sommigen daarvan trekken de stoute schoenen aan, maken in eigen beheer een CD die ze verkopen tijdens hun optredens in de omringende dorpscafés en blijven zitten met 400 onverkochte albums.
Maar, ook voor hen is er soelaas: dit overkwam destijds vele psychedelische bands in de periode 1966 – 1972 en ziedaar, 40 jaar later zijn hun platen 150 Euro of meer waard. Alleen jammer dat ze ze ergens in de jaren 80 allemaal weggegooid hadden.
En mag ik u voorstellen aan Nick Drake, een jonge jongen die via via een platencontract bij Island in de wacht sleepte, vervolgens 3 prachtige platen maakte die niemand wou hebben. Dit kwam deels ook omdat hij vrijwel niet durfde op te treden en uiteindelijk ging hij ten onder aan de anti-depressiva, nog geen 30 jaar oud.

Eind jaren 80 werd hij echter herontdekt en geldt nu als een absoluut icoon van de Britse folk uit begin jaren 70. Als u dus ooit eens een absolute mijmerplaat zoekt om uw leven te overdenken….

zaterdag 4 december 2010

GITAAAAAAARMUUUUSIEEEEK (zangeres zonder naam: Mexico, 1985)



Wat is dat toch voor preoccupatie met gitaren, heren? Op de een of andere manier ontwaakt de oermens in een man bij het aanhoren van een fijne gitaarsolo. Ik vorm daarop geen uitzondering.
Alleen zul je mij nooit betrappen op een partijtje luchtgitaarspelen. Ik vind het nogal potsierlijk. Een volwassen vent die wat onduidelijke bewegingen rond de buikstreek maakt, denkend dat het allemaal heel wat is. Maar alla…ieder zijn meug.  Van Joe Cocker is bekend dat hij tijdens het zingen “luchtpianospeelt”. Dat is dus de reden dat hij wat “spastisch” aandoet tijdens zijn optredens. Nou goed, zoals gezegd: not my cup of tea.

Maar toch weer een punt van overdenking: (ja waar maak je je al niet druk om) wat is dat toch met die gitaren? En dan bedoel ik niet het geneuzel dat op de gemiddelde jaren 80-fusion jazz-CD te horen is, want Earl Klugh werd juist weer meer door vrouwen aangeschaft, maar echt de van-dik-hout-zaagt-men-bomen-die-ik-als-stoere-vent-omhak-gitaren.

Is het dan toch, hoe Freudiaans, het feit dat de gitaar over het algemeen wordt gespeeld tegen de onderbuik? Of is het het geluid dat appelleert aan onze driften vanwege de lage ondertonen?
Waar is een muziektheoreticus als je hem nodig hebt?

En anderzijds, waarom zou je muziek zó ver willen ontleden en determineren, da’s toch maf ? Deze vraag stelde ik enige tijd geleden iemand die verklaarde dat hij studies had gelezen over dit onderwerp, waar tevens uitkwam dat de saxofoon meer iets voor vrouwen was en zeker niet voor mannen.

Ook hier weer: dit is niet geheel waar. Bij een optreden van Pharao Sanders op North Sea Jazz enige jaren geleden was de zaal meer dan evenredig gevuld met mannen. In de grote zaal, waar Candy Dulfer speelde, was juist de vrouwelijke helft der concertgangers oververtegenwoordigd. Tja, Candy Dulfer, ik kan nu heel schamper gaan doen, maar besef dus dat mijn gedeeltelijke aversie tegen haar voortkomt uit mijn liefde voor gitaarmuziek. Bovendien zou dat zeer onterecht zijn, want ze is een zeer verdienstelijk muzikante, wier Sax a gogo zelfs een persoonlijke favoriet van me was in 1993.

Kortom: ik kom er weer eens niet uit. Ik volsta dan ook met een overzicht van de beste gitaarsolo’s (mijn interpretatie) aller tijden: Ben Harper-Ground on down (live op Tibetan freedom concert), Prince – Let’s go crazy (ja, echt waar, wel de 12 inch-versie), David Bowie – Boys keep swinging.  Die laatste is trouwens apart: het gaat hier om een solo van Robert Fripp. Die kwam op een middag de studio in, vroeg: “Wat moet ik spelen?”, waarop het antwoord was:”Weet je wat? Doe maar wat.”En dat deed hij, zonder de muziek te horen. Het gevolg is een solo die totaal vervreemd is van het nummer, maar er toch wonderwel bij past.

En nu ga ik iets heel ergs zeggen, trek het u niet teveel aan: Waarom geen solo van Jimmy Paige? Wel, stom genoeg houd ik niet erg van Led Zeppelin, ik heb het een paar keer geprobeerd, maar nee…en blues vind ik hier en daar wel aardig, maar langdurig kan het mij niet bekoren. Dus alle giganten: Robert Johnson, John Lee Hooker, Blind Lemon Jefferson etc. enz. , ik heb ze allemaal in huis, maar slechts voor educatieve doeleinden. Ben ik dus toch net zo gek als die gozer die alles wil verklaren…