zondag 3 juli 2011

"To hell and back"



Ooit had ik een vriendin die ervan overtuigd is dat de hel bestaat. Weliswaar niet in de vorm van een wat warme plaats waarin een mannetje met horens je met zijn drietand prikt en waar het tandengeknars en geweeklaag te horen is, maar gewoon, hier, op aarde. Er zat een wat diepere religieuze gedachte achter: het leven is voor de wat minder gelukkigen niet altijd even leuk, maar als je uiteindelijk maar “het ware geloof” omarmt, dan kom je uiteindelijk ergens waar het een stuk beter is. En anders blijf je gewoon in dit aardse tranendal hangen.

Dol als ik altijd ben op pittige discussies en zeker waar het enige spiritualiteit betreft gespte ik mijn botte bijl om en dook vol in de strijd, vol vertrouwen in de uiteindelijke overwinning van mijn gelijk. Ieder mens heeft recht op zijn slechte kanten en dit is de mijne.
Ik bracht dus in dat ik onder geen beding wenste deel te nemen aan een club die overduidelijk zó elitair is. Men kon (en kan nog) mij niet verkopen dat het oude vrouwtje dat sterft, niet gelooft, maar haar hele leven aan vrijwilligerswerk heeft gedaan en de zwakkeren heeft geholpen, niet wordt toegelaten door de portier, terwijl de man die zijn hele leven lang zijn gezin geterroriseerd heeft, maar wel vrijwel iedere zondag ten kerke verscheen wel een toegangsbewijs heeft verdiend.

Zoals vaak met mensen die bepaalde dogma’s aanhangen eindigde het in een remise. Met toch een enigszins onvoldaan gevoel verliet ik het slagveld en likte mijn geestelijke wonden.

Enigszins hersteld schoot mij echter een belevenis te binnen die haar gelijk vermoedelijk wat aannemelijker maakt:

Ik ben een flink aantal jaren werkzaam geweest als radiopresentator bij diverse lokale omroepen. Omdat ik met name muziekprogramma’s deed verwarden mensen me wel eens met een “DJ”, ofwel een plaatjesdraaier en praatjesmaker. Ik ga hier even niet in op het verschil met wat ik deed. Ik had, en heb, echter een zeer duidelijke voorkeur, alsmede een nog veel duidelijker afkeer van bepaalde muziek.
Aldus werd ik enige jaren geleden gevraagd om een avondje “te komen draaien” op een buurtfeest. Ik zou fungeren als afsluiter van een workshop Braziliaanse percussie welke door een flink aantal buurtgenoten gevolgd werd. Het was dus de bedoeling “iets latin-achtigs” te draaien.

Omdat ik qua muziek (bijna) van alle markten thuis ben, gooide ik een stapel CD’s met broeierige ritmes in mijn koffer en toog naar de feesttent.  Daar aangekomen was de workshop net klaar, dus kon ik aan de bak. Ik draaide de ene wat obscure Noord-Braziliaanse trommel-CD na de andere, maar de animo was niet erg groot. Ik besloot dus het wat dichter bij huis te zoeken en schakelde over op wat meer poppy repertoire van onder anderen Shakira en Jennifer Lopez, daarbij overigens wel zorgend dat ik niet hun nummers met hiphop-beats erin gooide. Dit leek te werken, doch na drie nummers zakte het weer iets in. Inmiddels wat meer gevoel krijgend reikte ik wat dieper in mijn  koffer en vond CD’s van KC & The Sunshineband, Earth, Wind & Fire en meer discoknallers met jazzy en exotische ritmes erin. Ook dit werkte een aantal nummers erg goed, men werd zowaar enthousiast.

Vanaf toen ging het echter dramatisch mis: de buurvrouw die mij uitgenodigd had vroeg me of ik niet “iets pittigers” bij me had. Ik had geen flauw idee wat ze bedoelde, hoeveel meer pit wil je hebben zonder metal te draaien? Ik schakelde over op wat lichtere house, ook daar zit soms wel een zonnig gevoel in, maar even later herhaalde ze haar vraag en zei: “wacht anders maar even, ik heb een paar CD’s bij me waar wel wat op staat.”
Even later kwam ze terug met een paar gebrande CD’s met, o gruwel, Jantje Smit, Jeroen Boom en meer van dat moois. Omdat ik al een flink aantal jaren stelselmatig geen radio meer luister (vandaar dat mijn Nederlands zo slecht is) is de golf Nederlandstalige nitwits Goddank grotendeels  aan mij voorbij gegaan.
Er werden meteen instructies op een blaadje geschreven inzake de 4 eerstvolgende nummers die gedraaid moesten worden en vanaf dat moment fungeerde ik nog slechts als de technicus die de jukebox bediende. De hele meute ging in polonaise door de tent, overigens zonder dat ik, afgaand op hun gezichtsuitdrukking, het gevoel had dat men het naar hun zin had. Er werd mij regelmatig een nieuw verzoeknummer in handen geduwd dat ik draaide, “je staat daar immers niet voor jezelf”, hield ik mezelf voor.

Het bleek dat een flink deel van de nummers eigenlijk gelijk aan elkaar klonken, maar steeds met andere teksten en de andere helft bestond met name uit kinderliedjes, die ik mijn tweejarige dochter inmiddels zelfs bespaar, met een housebeat eronder.
Van de gezichten viel af te lezen dat men grimmig zijn of haar best deed om het allemaal “gezellig” te vinden, er werd luidkeels meegelalalalald en het moest nóg wat harder worden gezet.

Aan het eind van de avond was ik doof, zowel qua gehoor als qua sufgebeukte geest en verweekte hersens. Hoeveel onzinnigheid kan een mens in tekstueel opzicht aan? Het enige vermaak dat er voor mij nog aan zat was om gedurende een nummer steeds te raden welke rijmwoord het Prismaboek nu weer had voorgeschreven (heen…alleen, jou….in de kou, komen….in mijn dromen etcetera).

Om één uur ging de muziek definitief uit, vooral ook voor mij, want op datzelfde moment nam ik mij heilig voor (en heb dat tot de dag van vandaag volgehouden) NOOIT MEER ergens te gaan “draaien”, behalve gedurende mijn eigen radioprogramma.
Ik pakte mijn koffer in, strompelde naar huis en wankelde mijn bed in, mijn vrouw, die inmiddels in diepe slaap was, toefluisterend: ik weet nu eindelijk hoe de hel er uit ziet! Ik kom er net vandaan!

Alleen hierom al vind ik het erg fijn dat ik inmiddels wat religieuzer ben ingesteld. Je kunt immers nooit weten waar het nog goed voor kan zijn….