Ieder mens heeft zijn eigen zienswijze over de eerste jaren
dat hij of zij de aarde bewust bewandelde. Het heeft slechts deels te maken met
wat er door diverse (groot-)ouders wordt aangeboden maar vooral met de wijze
waarop men als peuter of kleuter de wereld beschouwt, blijkbaar onbewust keuzes
makend over welke zaken op een ieders harde schijf worden opgenomen. Het zal u
denk ik niet verbazen dat mijn oudste herinneringen deels worden ondersteund
door diverse soorten muziek.
Zo bevatte de soundtrack van mijn eerste jaren allereerst
het thema van “The Good, The Bad and The Ugly”, ten tweede hangt er hardnekkig
in mijn hoofdbagage een LP van James Last die, ik kan er niets aan doen, op
klompen swingend me tegemoet toeterde vanaf de hoes van de plaat, en ten derde de
diverse gevederde fluitisten uit de muziektent, welke ooit 200 meter van mijn
huis stond.
De muziektent: in mijn beleving had deze er altijd al
gestaan, zich vol bravoure staande houdend tussen het almaar oprukkend struweel
dat haar frele, groen-witte reling omgaf. Als kind vroeg ik me nooit af waarom
het ding eigenlijk een muziektent heette, de enige aanwezige muziek kwam uit de
autodidacte keeltjes van de diverse vogels die het ding bevolkten. Want
inmiddels was de ooit vermoedelijk zo met cultureel elan beladen houten
cirkelvorm omgetoverd in een schoon onderkomen voor gevederden van diverse
pluimage, welke er op hun beurt een iets minder schoon geheel van maakten maar
ach, het boeide niet, wij kinderen liepen rondom het gaas en de kwelertjes
zaten er binnen in. De kooi had evengoed een magnetische uitwerking op ons, het
kleine grut uit de nieuwere buurt achter de Raiffeissenbank. Eromheen was,
zoals gezegd, struikgewas geplaatst met vooral veel doornen waar we ons goed
niet aan wilden wagen. Moeders hadden toen nog wat in te brengen in de keuze en
het onderhoud van onze garderobe.
Toch was er de wetenschap dat ooit, in een zeer ver
verleden, de diverse toeters en blazers van Olympia of Con Brio hun kunnen
hadden uitgeprobeerd op lome zomeravonden waar, nog in zwart-wit, de weldadige akoestiek van de Binnendijk mannen in
hemdsmouwen en vrouwen met knotjes en strenge brilletjes hun oren beroerde. Wellicht hadden er zelfs mensen gezongen of
andersoortige orkestjes gespeeld. Ik wist en weet het niet, het speelde zich
allemaal af voordat ik mij goed en wel bewust was van enig muzikaal hoorvermogen.
Toch was daar die symfonie van al die kleine zangvogels. Ze
werden ongetwijfeld gevoederd door een welwillend ambtenaar en aangestaard door
iedere nieuwe generatie peuters, wegzakkend in hun vaak veel te grote jassen,
geleend van hun oudere broertjes en zusjes.
Het was een schok voor me toen ik, ergens midden jaren 80,
afreed richting de Zeepziedersbrug en daar een onooglijk nieuw gebouw zag. De
Raiffeissenbank had inmiddels haar eerste stappen richting Purmerend genomen en
had blijkbaar in haar haast om uit te breiden de muziektent opgevreten en er plekken
voor de clientele van gemaakt.
Tja, parkeerplaatsen zijn een belangrijk recht in Nederland.
Een praktisch volk, niet genegen om een stap teveel te nemen. Wel jammer dat
daarbij een piepklein stukje erfgoed, zowel cultureel, ornithologisch als
emotioneel, moest wijken.
Soms zou ik willen dat ik het kon herstellen. Maar
tegelijkertijd besef ik dat het onmogelijk is om je eigen jeugd te herbouwen.
Ik volsta dus maar met een herinnering op papier.
