dinsdag 29 april 2014

MUZIEKTENT




Ieder mens heeft zijn eigen zienswijze over de eerste jaren dat hij of zij de aarde bewust bewandelde. Het heeft slechts deels te maken met wat er door diverse (groot-)ouders wordt aangeboden maar vooral met de wijze waarop men als peuter of kleuter de wereld beschouwt, blijkbaar onbewust keuzes makend over welke zaken op een ieders harde schijf worden opgenomen. Het zal u denk ik niet verbazen dat mijn oudste herinneringen deels worden ondersteund door diverse soorten muziek.
Zo bevatte de soundtrack van mijn eerste jaren allereerst het thema van “The Good, The Bad and The Ugly”, ten tweede hangt er hardnekkig in mijn hoofdbagage een LP van James Last die, ik kan er niets aan doen, op klompen swingend me tegemoet toeterde vanaf de hoes van de plaat, en ten derde de diverse gevederde fluitisten uit de muziektent, welke ooit 200 meter van mijn huis stond.
De muziektent: in mijn beleving had deze er altijd al gestaan, zich vol bravoure staande houdend tussen het almaar oprukkend struweel dat haar frele, groen-witte reling omgaf. Als kind vroeg ik me nooit af waarom het ding eigenlijk een muziektent heette, de enige aanwezige muziek kwam uit de autodidacte keeltjes van de diverse vogels die het ding bevolkten. Want inmiddels was de ooit vermoedelijk zo met cultureel elan beladen houten cirkelvorm omgetoverd in een schoon onderkomen voor gevederden van diverse pluimage, welke er op hun beurt een iets minder schoon geheel van maakten maar ach, het boeide niet, wij kinderen liepen rondom het gaas en de kwelertjes zaten er binnen in. De kooi had evengoed een magnetische uitwerking op ons, het kleine grut uit de nieuwere buurt achter de Raiffeissenbank. Eromheen was, zoals gezegd, struikgewas geplaatst met vooral veel doornen waar we ons goed niet aan wilden wagen. Moeders hadden toen nog wat in te brengen in de keuze en het onderhoud van onze garderobe.
Toch was er de wetenschap dat ooit, in een zeer ver verleden, de diverse toeters en blazers van Olympia of Con Brio hun kunnen hadden uitgeprobeerd op lome zomeravonden waar, nog in zwart-wit, de weldadige  akoestiek van de Binnendijk mannen in hemdsmouwen en vrouwen met knotjes en strenge brilletjes hun oren beroerde.  Wellicht hadden er zelfs mensen gezongen of andersoortige orkestjes gespeeld. Ik wist en weet het niet, het speelde zich allemaal af voordat ik mij goed en wel bewust was van enig muzikaal hoorvermogen.
Toch was daar die symfonie van al die kleine zangvogels. Ze werden ongetwijfeld gevoederd door een welwillend ambtenaar en aangestaard door iedere nieuwe generatie peuters, wegzakkend in hun vaak veel te grote jassen, geleend van hun oudere broertjes en zusjes.
Het was een schok voor me toen ik, ergens midden jaren 80, afreed richting de Zeepziedersbrug en daar een onooglijk nieuw gebouw zag. De Raiffeissenbank had inmiddels haar eerste stappen richting Purmerend genomen en had blijkbaar in haar haast om uit te breiden de muziektent opgevreten en er plekken voor de clientele van gemaakt.
Tja, parkeerplaatsen zijn een belangrijk recht in Nederland. Een praktisch volk, niet genegen om een stap teveel te nemen. Wel jammer dat daarbij een piepklein stukje erfgoed, zowel cultureel, ornithologisch als emotioneel, moest wijken.
Soms zou ik willen dat ik het kon herstellen. Maar tegelijkertijd besef ik dat het onmogelijk is om je eigen jeugd te herbouwen. Ik volsta dus maar met een herinnering op papier.

maandag 28 april 2014

HOE VERDER?




Ooit, lang geleden, was de aarde een kleinere planeet.
De mensen woonden in dorpen of hooguit kleine stadjes en waren volmaakt tevreden met alle aangeboden informatie en verstrooiing die ze kregen. Soms bereikte hen een bericht uit een naburig stadje, als het ernstig genoeg was. Muzikaal verpoosden ze zich met het zingen van liederen over vroegere gebeurtenissen, soms grappig bedoelde protestliederen en het algemeen maken van simpele wijsjes op fluit ende luit.

Van tijd tot tijd ging dan de deur naar een andere wereld open en kwamen er marktkooplui, kermisgasten en minstreels langs. Laatstgenoemden waren eigenlijk startpagina.nl avant-la-lettre. Ze verhaalden in hun lang-gerekte liederen over veldslagen, huwbare koningsdochters en boze stief-dingen. Kortom: Shownieuws in het groot. Dat veel van hun gezongen verslagen inmiddels door overdrijving een flink rammelende waarheid bezaten boeide niet: de mensen hoorden iets nieuws en nieuwsgierig als de mens van nature is, werd ervan gesmuld.

Later, veel later, werd geluid vastgelegd en gingen er ineens deuren open naar werelden die voorheen slechts via verslagen van varensgezellen waren meegekomen. Vanaf dat moment ging het rap. Liederen werden vermenigvuldigd om er financieel beter van te worden of om ideeën te verspreiden en de verhalende liederen geraakten geleidelijk steeds meer op de achtergrond.

Gelukkig waren daar eind jaren 20, begin jaren 30 een vader en een zoon, Lomax geheten. Zij stelden zich ten doel zoveel mogelijk verdwijnende liederen uit de volkscultuur vast te leggen, daarmee en passant ook muzikale paden verkennend die anders wellicht verloren waren gegaan.
Helaas was dit alleen in Amerika het geval. In Nederland ging men iets lichtzinniger met het erfgoed om en veel liederen uit de 18e en 19e eeuw gingen gedurende de eerste 40 jaren van het opgenomen geluid in Nederland reeds verloren.

Eind jaren 60 was er nog wel een zogenaamde “folk”-revival in Amerika en Engeland. Artiesten als Pete Seeger, Joan Baez en in Engeland Fairport Convention en Pentangle keerden terug naar de traditionals, vaak honderden jaren oude gezangen. In Nederland werden bands als Fungus en CCC inc. Kortstondig populair onder het grotere publiek om vervolgens weer afgelost te worden door de volgende hype.

De wereld werd weer een slag kleiner toen artiesten uit Afrika, Azie en Zuid-Amerika zich meer en meer gingen mengen onder de artiesten die we hier kenden. Begin jaren 60 introduceerden mensen als Stan Getz en ook Frank Sinatra de Bossa Nova. De jazz werd vervolgens verrijkt met een hoop lekkere Latijnse ritmes die de boel een warme draai gaven.
Ook wisten artiesten als Miriam Makeba en Hugh Masekela, beiden uit Zuid-Afrika de westerse hitparades te bereiken met een mix van hun eigen en “Westerse” muziek.

Want dat is wel een ding: hier in “het westen” staan onze oren nog altijd naar de vrij statische ritmes en melodieën die we zelf hanteren. Muziek die daar al te veel van afwijkt zijn we stomweg niet gewend en kunnen we dus niet waarderen. Wel is het zo dat meer en meer vermenging ontstaat tussen “onze” muziek en die van de rest van de wereld, de “wereld-muziek”. Soms levert dat mooie combinaties op, soms ook foeilelijke totaal gladgestreken tingel-tangel-wijsjes, met name in “spirituele kringen” nogal geliefd.

Soms vind ik het jammer dat onze wereld nu zo groot is. Door de vergaande vermenging van muziekvormen is de kans dat je nog eens verrast wordt door een muzikaal verhaal erg klein geworden…