Een oude kademuur met daarnaast een klein weitje waar
ooit een bescheiden veestapel haar huis hield. Begin jaren 70 was dit stukje licht
gerepte natuur ongetwijfeld bezien door een overijverig gemeente-ambtenaar die
er in zijn visioenen Wagneriaanse stadsuitbreidingen had bedacht.
Maar nu lag het simpelweg gras te wezen in een niet te
overdadig zonnetje.
Een plaatselijke horeca-uitbater had zijn eigen visioenen
erop los gelaten en organiseerde er een heus festival, compleet met thee-tent,
massage-etablissement en gammele maar mooi versierde piano. En natuurlijk een
podium met een fors aantal elkaar afwisselende muzikanten van allerlei kunne en
kunde.
Op dit terrein hadden wij gedurende 3 dagen een marktkraam
van 8 meter gehuurd om onze muzikale waren te slijten. Om een dergelijke kraam
te bemannen moet men enige sociale vaardigheden bezitten. Allereerst zijn daar
de muziek-freaks die zich er op voorstaan alles te weten van het plektrum
waarmee Cuby in 1968 onder zijn nagels had gepullikt alvorens de beste set van
zijn leven neer te zetten. En natuurlijk de eeuwige zoekers naar die obscure,
door niemand ooit gekende, solo-plaat van de tweede gitarist van een cult-band
die ook al praktisch onvindbaar blijkt.
De kunst is om deze mensen tevreden te doen vertrekken in
de overtuiging dat hun gelijk bevestigd werd door iemand die het ook niet wist
maar misschien wel had kunnen weten.
Gedurende het mild zonovergoten weekend ging het humeur
steeds verder richting crescendo, ongetwijfeld gedebiteerd door een ruime
hoeveelheid bier maar zeker niet minder omdat dit één van die zeldzame weekends
was dat alles klopte: het weer, de muziek en het algemeen gemoed.
Gaandeweg werden de gesprekken steeds dieper: we werden
dringend overtuigd van de grootsheid van de Almachtige, hoorden van de
verkeerde investeringen welke een bekende Indo-rockband begin jaren 60 in Duitsland
had verricht en werden door diverse dames ingelicht over het stellige voornemen
op korte termijn de stad te verlaten waar ze ruim 50 jaar geleden waren
opgegroeid en nog steeds woonden met man en kinderen.
Op dag 3 stond er een vrouw voor onze kraam, enigszins
smoezelig, die vroeg of we een vuurtje hadden. We voelden ons, na alle ontboezemingen
die over ons waren uitgestort, zo ongeveer de hulpverleners van het gebeuren en
waren dus niet te beroerd om ook hier bij te staan.
“Dankuwel”, inhaleerde de vrouw en zei vervolgens: “Eigenlijk
mag ik niet roken van mijn vriend maar ik doe het toch”. Na onze complimenterende
blikken vervolgde ze: “Ja, weet je, hij is namelijk Jehova en Jehova’s mogen niet
roken.”
“Zozo…Jehova…dat is heftig”, begon ik maar ze onderbrak
me: “Ik ben zelf ook Jehova hoor maar dat roken….ja, dat is een probleem. Ik
zal wel niet naar de hemel gaan…”
Ik knikte begrijpend, me inderdaad voorstellende dat er
in het hemelse overal “no smoking” stickers zouden hangen, uiteindelijk doen ze
dat in vliegtuigen al dus als je nog hoger zit….
“Mijn vriend rookte vroeger zelf ook hoor, ik ben
eigenlijk juist door hem begonnen met roken. Alleen is hij er op een bepaald
moment mee gestopt. Met sigaretten dan he? Tegenwoordig rookt hij alleen nog
maar joints. Ik vind het wel raar, daar zeggen ze niets over verder.”
Ze bleef even hangen in een wilde kuch-bui. Ik hield
verder mijn mond, sprakeloos als ik was en vooral erg benieuwd hoe dit zich
verder zou ontwikkelen. Na wat gesnuif keek ze me aan, las mijn ogen en ging
verder: “Ja, ik weet het, wat moet je met een vent waar je niet de ruimte van krijgt.
Maar ik hou nu eenmaal van hem! Nog meer dan van mijn man! Die zie ik eigenlijk
alleen nog in het weekend. Hij weet dat ik door de week bij mijn vriend zit
maar vind het verder niet erg. Hij geeft me wel de ruimte, hij wel!”
“Tja, dat is ook wel wat waard”, probeerde ik nog maar ze
had haar zegje gedaan.
“Nou…ik ga maar weer eens verder. Bedankt voor het
vuurtje.”
Inhalerend stapte ze de wijde wereld in. De hemel was
misschien een onhaalbare kaart voor haar. Toch wens ik haar alle moois in haar
gevecht met zichzelf.