Ooit, lang geleden, was de aarde een kleinere planeet.
De mensen woonden in dorpen of hooguit kleine stadjes en
waren volmaakt tevreden met alle aangeboden informatie en verstrooiing die ze
kregen. Soms bereikte hen een bericht uit een naburig stadje, als het ernstig
genoeg was. Muzikaal verpoosden ze zich met het zingen van liederen over
vroegere gebeurtenissen, soms grappig bedoelde protestliederen en het algemeen
maken van simpele wijsjes op fluit ende luit.
Van tijd tot tijd ging dan de deur naar een andere wereld
open en kwamen er marktkooplui, kermisgasten en minstreels langs. Laatstgenoemden
waren eigenlijk startpagina.nl avant-la-lettre. Ze verhaalden in hun
lang-gerekte liederen over veldslagen, huwbare koningsdochters en boze stief-dingen.
Kortom: Shownieuws in het groot. Dat veel van hun gezongen verslagen inmiddels
door overdrijving een flink rammelende waarheid bezaten boeide niet: de mensen
hoorden iets nieuws en nieuwsgierig als de mens van nature is, werd ervan
gesmuld.
Later, veel later, werd geluid vastgelegd en gingen er
ineens deuren open naar werelden die voorheen slechts via verslagen van
varensgezellen waren meegekomen. Vanaf dat moment ging het rap. Liederen werden
vermenigvuldigd om er financieel beter van te worden of om ideeën te
verspreiden en de verhalende liederen geraakten geleidelijk steeds meer op de
achtergrond.
Gelukkig waren daar eind jaren 20, begin jaren 30 een
vader en een zoon, Lomax geheten. Zij stelden zich ten doel zoveel mogelijk
verdwijnende liederen uit de volkscultuur vast te leggen, daarmee en passant
ook muzikale paden verkennend die anders wellicht verloren waren gegaan.
Helaas was dit alleen in Amerika het geval. In Nederland
ging men iets lichtzinniger met het erfgoed om en veel liederen uit de 18e
en 19e eeuw gingen gedurende de eerste 40 jaren van het opgenomen
geluid in Nederland reeds verloren.
Eind jaren 60 was er nog wel een zogenaamde “folk”-revival
in Amerika en Engeland. Artiesten als Pete Seeger, Joan Baez en in Engeland
Fairport Convention en Pentangle keerden terug naar de traditionals, vaak
honderden jaren oude gezangen. In Nederland werden bands als Fungus en CCC inc.
Kortstondig populair onder het grotere publiek om vervolgens weer afgelost te
worden door de volgende hype.
De wereld werd weer een slag kleiner toen artiesten uit
Afrika, Azie en Zuid-Amerika zich meer en meer gingen mengen onder de artiesten
die we hier kenden. Begin jaren 60 introduceerden mensen als Stan Getz en ook
Frank Sinatra de Bossa Nova. De jazz werd vervolgens verrijkt met een hoop
lekkere Latijnse ritmes die de boel een warme draai gaven.
Ook wisten artiesten als Miriam Makeba en Hugh Masekela,
beiden uit Zuid-Afrika de westerse hitparades te bereiken met een mix van hun
eigen en “Westerse” muziek.
Want dat is wel een ding: hier in “het westen” staan onze
oren nog altijd naar de vrij statische ritmes en melodieën die we zelf
hanteren. Muziek die daar al te veel van afwijkt zijn we stomweg niet gewend en
kunnen we dus niet waarderen. Wel is het zo dat meer en meer vermenging
ontstaat tussen “onze” muziek en die van de rest van de wereld, de “wereld-muziek”.
Soms levert dat mooie combinaties op, soms ook foeilelijke totaal gladgestreken
tingel-tangel-wijsjes, met name in “spirituele kringen” nogal geliefd.
Soms vind ik het jammer dat onze wereld nu zo groot is.
Door de vergaande vermenging van muziekvormen is de kans dat je nog eens
verrast wordt door een muzikaal verhaal erg klein geworden…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten