donderdag 30 augustus 2012

THE VOICE



Zoals evolutionair ooit eens bepaald is dat veel dieren hun jongen kunnen terugvinden door de lichaamsgeur, zo heeft de mens deze regel ooit losgelaten. Voor het echte waarom verwijs ik u graag naar Midas Dekkers of een ander laagdrempelig bioloog, er zijn ongetwijfeld mooie theorieën over dit fenomeen ontwikkeld. Ik houd het er echter op dat dit komt door de muzikaliteit van de mens.

De mens maakt al sinds de vroege prehistorie muziek. In eerste instantie met een verhalende of spirituele betekenis, maar toch ook omdat men het gewoon fijn vond om ernaar te luisteren. Er zijn muziekinstrumenten gevonden die teruggaan tot 15000 voor Christus, maar ongetwijfeld werd reeds lang voor die tijd gezongen. Ik vraag me dan af waar de liederen over gingen. Vermoedelijk over Hongerige Wolf die de holenbeer bedwong die al 3 manen lang het kamp bedreigde en zo nu en dan een amechtig blatend schaap meevoerde naar de andere wereld. Hoe dan ook vrij spannende verhalen, want anders luisterde niemand meer. En natuurlijk de slaapliedjes die al minstens even lang worden gezongen voor de kleine kinderen. Juist de stem van iemand die met liefde voor hen zingt maakte en maakt nog dat ze rustig in slaap vallen.

Gaandeweg is de menselijke stem zodanig muzikaal ontwikkeld dat er steeds meer emotie ingelegd kon worden, of in ieder geval datgene wat in onze perceptie als emotie wordt gezien. Eigenlijk razend knap, als je bedenkt dat een enkele melodielijn die richting mineur afbuigt precies het verschil kan zijn tussen een lach en een traan. Een mooi voorbeeld hiervan is “She’s Leaving Home” van The Beatles. De laatste zin bevat een hele hoge noot, gevolgd door juist een hele lage. Het dramatisch effect hiervan is bijna over the top, zoals alleen Mccartney het kan (wat trouwens vaak de kritiek op hem is, onterecht, wat mij betreft).

Iemand die gedurende zijn hele lange zangcarrière nogal grossierde in mineurakkoorden was Frank Sinatra. Eigenlijk waren het natuurlijk zijn arrangeurs, onder anderen Tommy Dorsey, bij wiens orkest hij ooit, in 1938, begon en natuurlijk Nelson Riddle, orkestleider en toparrangeur gedurende de jaren 50 die verantwoordelijk was voor veel Amerikaanse hits uit die tijd. Enerzijds sprong van de nummers die hij bewerkte het glazuur van je tanden, maar anderzijds zat er toch altijd een randje aan, waardoor het juist spannend werd.

En zo was het ook bij Sinatra. Anders dan bij veel andere mooizingers in de popmuziek (you know who you are) zat er een barstje in zijn stem, waardoor er een bepaalde emotionele ruwheid doorheen klonk. Het was ongrijpbaar, niet veel mensen konden het exact benoemen. Het is echter een feit dat zelfs Bing Crosby, zelf de grootste moderne zanger van de jaren 30 en 40 hem benoemde als: “de grootste zanger van de eeuw! “ en vervolgens erachter aan zei: “Maar verdorie, waarom moest dat nou nét mijn eeuw zijn!”

Op mij persoonlijk heeft de stem van Sinatra en in mindere mate die van Nat King Cole, ook vandaag nog, een geruststellende werking. Zet mij na een hyperdrukke dag ’s avonds op de bank met een kop thee of een glas wijn en zet een CD-tje van deze mannen op en mijn hoofd raakt geheid leeg.

Eigenlijk best vreemd, ik heb beiden nooit persoonlijk gekend, Cole was zelfs al dood voor ik geboren werd, maar blijkbaar herinnert hun muziek mij aan iets vertrouwds. En ook dat is een verworvenheid die ik eigenlijk alleen in muziek aantref.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten