maandag 28 april 2014

HOE VERDER?




Ooit, lang geleden, was de aarde een kleinere planeet.
De mensen woonden in dorpen of hooguit kleine stadjes en waren volmaakt tevreden met alle aangeboden informatie en verstrooiing die ze kregen. Soms bereikte hen een bericht uit een naburig stadje, als het ernstig genoeg was. Muzikaal verpoosden ze zich met het zingen van liederen over vroegere gebeurtenissen, soms grappig bedoelde protestliederen en het algemeen maken van simpele wijsjes op fluit ende luit.

Van tijd tot tijd ging dan de deur naar een andere wereld open en kwamen er marktkooplui, kermisgasten en minstreels langs. Laatstgenoemden waren eigenlijk startpagina.nl avant-la-lettre. Ze verhaalden in hun lang-gerekte liederen over veldslagen, huwbare koningsdochters en boze stief-dingen. Kortom: Shownieuws in het groot. Dat veel van hun gezongen verslagen inmiddels door overdrijving een flink rammelende waarheid bezaten boeide niet: de mensen hoorden iets nieuws en nieuwsgierig als de mens van nature is, werd ervan gesmuld.

Later, veel later, werd geluid vastgelegd en gingen er ineens deuren open naar werelden die voorheen slechts via verslagen van varensgezellen waren meegekomen. Vanaf dat moment ging het rap. Liederen werden vermenigvuldigd om er financieel beter van te worden of om ideeën te verspreiden en de verhalende liederen geraakten geleidelijk steeds meer op de achtergrond.

Gelukkig waren daar eind jaren 20, begin jaren 30 een vader en een zoon, Lomax geheten. Zij stelden zich ten doel zoveel mogelijk verdwijnende liederen uit de volkscultuur vast te leggen, daarmee en passant ook muzikale paden verkennend die anders wellicht verloren waren gegaan.
Helaas was dit alleen in Amerika het geval. In Nederland ging men iets lichtzinniger met het erfgoed om en veel liederen uit de 18e en 19e eeuw gingen gedurende de eerste 40 jaren van het opgenomen geluid in Nederland reeds verloren.

Eind jaren 60 was er nog wel een zogenaamde “folk”-revival in Amerika en Engeland. Artiesten als Pete Seeger, Joan Baez en in Engeland Fairport Convention en Pentangle keerden terug naar de traditionals, vaak honderden jaren oude gezangen. In Nederland werden bands als Fungus en CCC inc. Kortstondig populair onder het grotere publiek om vervolgens weer afgelost te worden door de volgende hype.

De wereld werd weer een slag kleiner toen artiesten uit Afrika, Azie en Zuid-Amerika zich meer en meer gingen mengen onder de artiesten die we hier kenden. Begin jaren 60 introduceerden mensen als Stan Getz en ook Frank Sinatra de Bossa Nova. De jazz werd vervolgens verrijkt met een hoop lekkere Latijnse ritmes die de boel een warme draai gaven.
Ook wisten artiesten als Miriam Makeba en Hugh Masekela, beiden uit Zuid-Afrika de westerse hitparades te bereiken met een mix van hun eigen en “Westerse” muziek.

Want dat is wel een ding: hier in “het westen” staan onze oren nog altijd naar de vrij statische ritmes en melodieën die we zelf hanteren. Muziek die daar al te veel van afwijkt zijn we stomweg niet gewend en kunnen we dus niet waarderen. Wel is het zo dat meer en meer vermenging ontstaat tussen “onze” muziek en die van de rest van de wereld, de “wereld-muziek”. Soms levert dat mooie combinaties op, soms ook foeilelijke totaal gladgestreken tingel-tangel-wijsjes, met name in “spirituele kringen” nogal geliefd.

Soms vind ik het jammer dat onze wereld nu zo groot is. Door de vergaande vermenging van muziekvormen is de kans dat je nog eens verrast wordt door een muzikaal verhaal erg klein geworden…

donderdag 2 januari 2014

DURGERDAMMERDIJK 103




2 januari 2014: vandaag precies 35 jaar geleden zat een jochie van 11 met een verveeld gezicht de grijze wereld te beschouwen vanaf de achterbank van een oranje Simca 1100, zo’n autootje dat altijd enigszins verbaasd de wereld in blikte vanuit zijn grote ronde koplampen.

Op 2 januari gingen fatsoenlijke mensen naar familieleden die hen lief waren, zo was hem verteld. Hij geloofde het allemaal wel, ging heus wel graag naar zijn oma, maar nu even niet. Het regende licht, zelfs de ruitenwissers knerpten hun mistroostige lied met landerige precisie. ’s Zomers was het altijd leuk bij oma, ze had een oud huisje aan de Durgerdammerdijk, van waaruit ze ijsjes en snoep verkocht aan voorbijgangers. Ook verkocht ze gasflessen aan kampeerders en bootjesgasten die geïnteresseerd waren.
Maar op 2 januari 1979 waren er geen kampeerders. En geen bootjesgasten. En dus ook geen ijsjes. Alleen maar lood in de hemel en in zijn schoenen. Hij verveelde zich…

De auto werd voor de deur geparkeerd, dat mocht toen nog, de gemeente Amsterdam werd nog niet bestierd door wereldvreemde geldwolven die vonden dat autoverkeer verboden moest worden omdat het openbaar vervoer een adequate vervanger was. Dat was en is het namelijk niet. Wellicht als je tegenover het Centraal Station woont, maar hier, eufemistisch landelijk Noord, werd slechts bediend door een “buurtbus”, een barreltje dat eens per 2 uur over de dijk denderde.
Het huis bevatte een voordeur, maar deze was slechts ter verfraaiing van het aanzicht. Naar goed Noord-Hollands gebruik werd je geacht binnen te komen via de achterdeur, het houten trapje naar de keuken op, waar de geur van doorlopend aangebrande melk je tegemoet kwam, want koffie moest gedronken worden met echte melk. Binnen werd je begroet door het donkere meubilair, het harige tafelkleed, de vogeltjes in de vensterbank en oma die het liefst in de achterkamer aan de keukentafel zat.
Daarna gingen de volwassenen de dingen doen die volwassenen in kinderogen altijd doen, gesprekken voeren die nergens over gaan en werden de kinderen op zichzelf losgelaten.

Het jochie had een flinke stapel papier bij zich en een pen en besloot eens een overzicht te maken van alle platen die hij kende, een bezigheid die hem, om onverklaarbare redenen, fascineerde.
Hij had het idee een top 100 te maken, de nummer 1 wist hij al: Dreadlock Holiday van 10cc, niet geheel toevallig de plaat die ook in werkelijkheid enkele weken geleden op nummer 1 had gestaan.

De top 100 werd niet gehaald…na het noteren van “Blame it on the boogie” van the Jacksons was de koek op, 98 nummers op papier, variërend van Jan Klaassen de trompetter tot A Whole Lotta Rosie. Het werd dus een top 90. De rest is geschiedenis.

Het geheel had een onverwacht vervolg. Nadat oma in 1990 naar het bejaardenhuis ging nam haar zoon het huis over. Hij had een flinke hang naar het verleden. Toen hij op zijn beurt dus in 2012 overleed en we het huis binnengingen kwamen we in een tijdcapsule welke ons naadloos tientallen jaren terugbracht. Sterker nog: we vonden aantekeningen van mijn overgrootouders van rond 1900, ze waren lid van het koor, de toneelvereniging en de blauwe knoop. De gaskachel loeide nog steeds, het meubilair was nog altijd donker. Alleen de vogeltjes zongen niet meer.
Maar inmiddels zijn zij vervangen door een hoop mooie muziek, want die 98 nummers hebben zich inmiddels vele malen vermenigvuldigd en vormen inmiddels een doorlopende soundtrack in mijn hoofd.

dinsdag 19 november 2013

DE MAATSCHAPPIJ


 

Artiesten, een vreemd slag.

 

Ooit, lang geleden, zijn zij, net als ieder kind, hun ouders heel veel belovend, hun eerste dag naar school gegaan. Afhankelijk van de leeftijd was dat de kleuterschool of groep 1 van het basisonderwijs. In deze groep of klas kwamen ze voor het eerst in contact met leeftijdgenootjes in flinke aantallen en natuurlijk een juf (kleutermeesters heb je vrijwel niet eigenlijk) die dan wel wat meer, dan wel wat minder van ze verwachtte.

 

Maar….vaak zat het er al vroeg in. Het kind was een beetje dromerig, niet super geconcentreerd met de les bezig, eigenlijk meer met de tekeningetjes die het maakte aan de rand van de schriftjes of de geluiden die de vogels en de graafmachines buiten maakten. En ondanks dat het uiteindelijk redelijk meekwam in de klas, maakte de onderwijzer(es) zich toch zorgen. Er zat zoveel meer in en dat kwam er gewoon niet goed uit!

 

Ouders hoorden het aan, zuchtten, en wisten dat dit eigenlijk al vanaf de vroegste jeugd het geval was. Hun kind zat als baby al soms uren voor het raam te kijken naar, ja, naar wat eigenlijk?

Dan was er wel enige concentratie en ook als er getekend of gekleurd werd. Maar zodra er iets moest…..nee.

En zo probeerde men het, hangen en wurgen, de lagere school werd doorlopen, de middelbare school met allemaal goedwillende leraren wier haren ook ter berge rezen door zoveel onverschilligheid, ja, de volwassenen hadden het maar moeilijk mee: dit kind zou nooit goed kunnen functioneren in de maatschappij!!!

 

Daar wisten ze immers alles van, de eisen die gesteld werden waren steeds hoger geworden en degene die daaraan niet voldeed kon het wel vergeten.

Wat kon die persoon eigenlijk vergeten? Wel, het uitzicht op een goede baan, een goed inkomen en alles wat leuk was.

 

Het kind haalde de schouders op, nam een baantje aan en ging intussen door met zijn passie: muziek maken, tekenen, beeldhouwen, kortom: al die zaken die volgens velen alleen maar bedoeld waren als vrijetijdsbesteding. En misschien was dat wel zo. Maar het was niet voor niets een passie, het kind, dat inmiddels een volwassen persoon geworden was, kon alles vergeten als hij daarmee bezig was.

Jaren gingen voorbij, dan weer in het ene bandje, dan weer samen met een zangeres, dan weer een coverband voor bruiloften en partijen. En ineens was het daar: het eerste album, het nummer op Youtube, de radiohit, de optredens op Lowlands.

Maar, zo zeiden zijn ouders nog altijd, dit is natuurlijk allemaal tijdelijk, volgend jaar is iedereen je weer vergeten en dan kun je weer een baantje zoeken.

 

Ja…natuurlijk…

 

Maar zou het niet kunnen zijn dat een persoon juist zijn leven inricht op andere zaken dan goede banen, goede inkomens enzovoorts??? Of ben ik nu teveel een romanticus.

Alles is uiteindelijk tijdelijk, inclusief het leven zelf. En ja, natuurlijk kun je instappen en meedoen aan de zogenaamde ratrace en hopen dat jij degene bent die uiteindelijk bestuurder wordt van, vul maar in. Als je je daardoor gesterkt voelt en daar bevrediging uit haalt is daar niets mis mee, mits je niet doorschiet, zoals zoveel managers helaas nog wel eens doen.

Maar evenveel bewondering verdient hij die besluit zijn leven in te richten naar eigen gevoel, niet naar dat van anderen. En als die persoon daarmee wegkomt dan verdient dat naar mijn mening des te meer respect. Vind ik dan…

zondag 27 oktober 2013

BUSH DOCTOR




Hoe vaak zou daadwerkelijk de tekst  “Ik hou van jou, ik blijf je trouw” zijn gezongen in een lied?
 Ik schat zo in dat Frans Bauer er nog het dichtst bij in de buurt kwam, vraag me niet met welk nummer want in mijn oren lijken ze allemaal eender. Het enige nummer dat mij ooit van Frans Bauer echt bij zal blijven is zijn versie van Du Hast van Rammstein, waarop overigens ook zijn band een briljante rol speelde. Maar nu dwaal ik af…

Enige tijd geleden zat ik ergens midden in de natuur (nou ja, in een riante caravan, toch weer een Frans Bauer-gevoel) te luisteren naar een album uit mijn verre jeugd: “Bush Doctor” van Peter Tosh. Destijds vond ik het al een mooie plaat, uitgezonderd het duet met Mick Jagger dat er op stond. Dat kwam trouwens niet omdat dat nummer zo slecht was, maar gewoon omdat ik het destijds echt veel te vaak had gehoord.

Wat mij niet vaak overkomt: ineens vielen mij de teksten op.  Ja, het was allemaal intelligent gemaakte reggae, mooie arrangementen, gitaren, blazers, lekker diepe bassen, muzikaal zat het gewoon lekker in elkaar. Maar wat me nu opviel: geen enkele tekst ging over meisjes, gebroken liefdes of over de zonneschijn die toch veelal aanwezig was op Jamaica, het eiland waar de meneer vandaan kwam. Nee, dat was het bijzondere: ondanks de “zomerse” klanken (het cliché van de reggae) waren de teksten beschouwend, bijna zwaar zelfs hier en daar.

Natuurlijk: als je een nummer hoort met de titel “Legalize Marihuana!” kun je dat beschouwen als een feestnummer pur sang, maar het verschil is dat meneer Tosh het bloedserieus bedoelde! Hij zag de criminaliteit op zijn straatarme eiland en zijn hart bloedde. Hij zag de repressie van de regering die tegelijkertijd zichzelf verrijkte en besloot dus dat deze relatief onschuldige drugs beter gelegaliseerd konden worden. Juist de strafbaarheid maakte het product schaars waardoor velen zich verder in de armoede stortten om hun verslaving te kunnen bekostigen. Overigens zouden dergelijke teksten in 1987 leiden tot zijn vroegtijdige dood, hij werd vermoedelijk in opdracht van de regering gedood door overvallers. Mijn broertje, die een groot fan was, was een dag flink van slag.

Ook een nummer als “Pick Myself Up” lijkt op het eerste gezicht een vrolijk nummer, gekwetter van vogeltjes, Peter Tosh die zelf in de ochtendzon onder een boom zit, je voelt gewoon het mooie weer in zijn botten. Toch moet hij zichzelf aanpakken en zorgen dat hij ook kan vliegen als die vogeltjes, zo spreekt hij zichzelf toe. Tja…het idee kan hem natuurlijk ingegeven zijn door diezelfde marihuana. Maar logischer is het dat hij weer eens aan het werk moest en zichzelf moed insprak om door te gaan met waar hij mee bezig was.

En zo ging hij nog even door met zijn overpeinzingen, beschouwingen en spirituele bevlogenheid. Tekstueel een erg sterke plaat (muzikaal was het dat al). Het geheel eindigt met een lofzang op “Jah”, de man was een echte rastafari en aan het slot hiervan hoor je de haan drie maal kraaien. De man heet uiteindelijk niet voor niets Peter…..Misschien ben ik een zeurpiet, maar op zo’n moment denk ik wel eens: Als de meeste Nederlandse tekstschrijvers maar een klein beetje van deze beschouwende teksten zouden overnemen, zou de radio een stuk minder saai zijn.

maandag 23 september 2013

GRIMPER SUR UN ARBRE




Wat is dat toch met die Franse taal? Na 3 HAVO liet ik het vak juichend en als een brok graniet vallen om vervolgens nooit meer een samenhangende zin in de taal van Frankrijk en Wallonië uit te spreken. Voor zover ik het zou willen, zou ik het nimmer meer kunnen. Sindsdien heb ik me nog wel enigszins bekwaamd in het Duits en in meerdere mate in het Engels, wat ik nog bijna dagelijks gebruik op gezichtenboek en in contact met klanten.

Maar, en nu komt het vreemde, anderzijds ben ik verslingerd aan de onwaarschijnlijk mooie chansons welke gedurende de jaren 70 en begin jaren 80 over ons werden uitgestrooid middels de zenders welke ook de Tour de France tot ons brachten. Julien Clerc, Gilbert Becaud, Jacques Dutronc, Michel Sardou, Gerard Lenorman etcetera, enzovoorts. En nu heb ik mij nog beperkt tot een klein aantal mannelijke chansonniers, maar zelfs “onze eigen”Wende klinkt een stuk fijner als ze in het Frans zingt. Wat is dat toch???

Ik begrijp er vrijwel niets van, maar het is zo overduidelijk meer poëtisch dan andere talen dat de teksten zelfs mooier zijn dan andere teksten die ik niet versta. De laatste jaren worden er trouwens haast geen Franstalige nummers meer op de radio gedraaid. Wellicht heeft dit ermee te maken, dat het inmiddels een bui van nostalgie en melancholie is die mij overvalt en mij doet terugdenken aan die hele lange zomers, toen de Tour nog 7 weken duurde en Peter Winnen iedere bergetappe won, zelfs degenen waar Hinault en Fignon als eersten arriveerden. Mooie tijden.

Maar nee, als ik Michel Sardou hoor zingen over Les Lacs du Connemara, dan geloof ik direct dat hij daar geweest is, dat zonnestralen de eeuwigdurende Ierse wolkenpartijen doorbraken, kijkend naar de kuddes wilde paarden die precies op dat moment door een ondiep deel van zo’n meer galoppeerden, zoekend naar de geheimzinnige vrouw in de rode jurk die ooit in de diepten was verzonken tezamen met haar kasteel en slechts eens in de honderd jaar vanuit de mist oprijst, wachtend op haar minnaar. En ik hoor het verlangen naar liefde dat uit zijn woorden spreekt.

Tja, hoe mooi Nederlanders en Engelstaligen hun teksten ooit ook schrijven, ze zullen nooit en te nimmer kunnen tippen aan de sprookjesachtige dichters uit het rijk van Karel de Grote, dat staat voor mij meer dan vast.

Enfin….. de Franse taal dus. Taal der liefde zegt men wel, maar ik versta deze dan dus blijkbaar niet, armzalige sterveling die ik ben. En dan komt er vaak een moment dat ik denk: “kom, laat ik eens een cursus gaan doen, Frans voor nitwits.”
Maar nee, allereerst ontbreekt het mij aan de tijd en ten tweede ben ik bang.
Bang dat het uiteindelijk vinden en horen van de juiste woorden en verhalen zullen zorgen dat ik tot de ongelooflijke ontdekking kom dat de teksten van even droevig allooi zijn als het gemiddelde Toppers-geblaat dat ons via de diverse zenders tegemoet komt.

En dus pak ik een oud transistorradiootje, stel hem af op dat kanaal waar Ce n’est rien op gedraaid wordt en door het geruis van 40 jaar heen luister ik naar de belofte dat die zonnige tijd terug zal komen, dat onze wielrenners weer zullen winnen en heel, heel even, meen ik zelfs een oude man met een grote bril achterop een motorfiets te ontwaren, in uiterste opwinding over de verrichtingen van “onze jongens”…..