In 1952 werd in de Verenigde Staten een pakket platen op
de markt gebracht, een zogeheten “album”. Het betrof een zestal LP’s in een
box, met als titel: “The Anthology of American Folk Music”. De initiator, Harry
Smith, was een jonge antropoloog met een forse platenverzameling.
Met name zijn verzameling 78 toeren platen uit de jaren
1926 tot en met 1932 was indrukwekkend.
Die periode was de tijd net voordat de radio als medium
massaal doorbrak en platen werden dus nog gepromoot via optredens en verspreiding
van bladmuziek die dan weer her en der gespeeld werd. Dit laatste, verspreiding
van bladmuziek op enige schaal, ging trouwens door tot eind jaren 50, pas in
1958 stopte radio Luxembourg met de uitzending van een hitparade welke
gebaseerd was op de verspreiding hiervan. Desalniettemin waren er reeds enige
millionsellers in die pre-radio-periode, een der grootste was Swanee van Al
Jolson en ook onze landgenoot Jacques Urlus, operazanger van formaat, wist
flinke aantallen van zijn platen te verkopen.
Net als nu werden er in de periferie van wat toen voor
hitlijst moest doorgaan opnames en platen gemaakt welke niet in stormachtige
hoeveelheden over de toonbank gingen. En net als nu waren dat vaak
interessantere produkten dan het gemiddeld nummer 1 tumult. In die jaren 20
werd de jazz steeds groter, in 1917 voor het eerst commercieel doorgebroken en
gaandeweg met name door WC Handy, Louis Armstrong en Duke Ellington steeds
populairder gemaakt. Ook de blues dook hier en daar op, dames als Bessie Smith
en Mamie Smith (geen familie) lieten uitbundig van zich horen.
En dan was er nog de folk, eigenlijk slechts enigszins
bekend gemaakt door The Carter Family, een trio bestaande uit een broer en 2
zussen, waarvan eentje overigens de schoonmoeder was van Johnny Cash. Zij, en
hun volgelingen, zongen liederen die voor een antropoloog erg interessant
waren, liederen over moorden, gruwelijke ongelukken, natuurrampen etcetera.
Ooit, in de 19e eeuw, toen Amerika nog gevormd moest worden, waren
deze liederen een soort ANP-nieuws voor de gewone man, minstrels trokken van
dorpje naar dorpje en zongen, of zo u wilt, verhaalden van ”Henry Lee”, die door
zijn vriendin vermoord werd of “Engine 143”, de trein die bijna ontspoorde
waarbij de machinist door zichzelf op te offeren de boel net wist te redden,
maar er waren ook minder sensationele songs over de moeilijkheden van de gewone
man, de worstelingen met het geloof van de eerste pioniers en soms ook een
simpel liefdesliedje.
Toen uiteindelijk de radio de overhand kreeg, verdwenen
deze laatste overblijfselen uit voorbije tijden. In die zin is het fantastisch
dat mensen als Harry Smith de moeite namen terug te grijpen op deze muziek en
deze te categoriseren en opnieuw onder de aandacht te brengen.
Een stuk geschiedschrijving van “de gewone man” is
daarmee gewaarborgd, uiteraard naast de kranten welke inmiddels zijn
overgeleverd uit dezelfde tijd, maar die toch werden geschreven met de bril van
de redacteur op. Bovendien luister ik liever naar een nummer van de Carter
Family dan naar een krant.
In Nederland is er ook kort een revival geweest van
zogenaamde “folk-muziek”. Jammer genoeg kwamen wij echter niet verder dan “In
een groen groen knollen-knollenland” en “Wat zullen we drinken”. Hoewel ik soms ook LP’s aantref van echte
troubadours die ergens op een Noord-Hollands zolderkamertje in oude boeken
hebben zitten graven, op zoek naar mooie verhalen.
Toch jammer dat dat soort zolderkamertjes (bijna) niet
meer bestaan….zou er hier ook een Harry Smith kunnen opstaan??? Mijn zegen
heeft hij.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten