maandag 20 mei 2013

FOLK/VOLKSMUZIEK


 

 

In 1952 werd in de Verenigde Staten een pakket platen op de markt gebracht, een zogeheten “album”. Het betrof een zestal LP’s in een box, met als titel: “The Anthology of American Folk Music”. De initiator, Harry Smith, was een jonge antropoloog met een forse platenverzameling.

Met name zijn verzameling 78 toeren platen uit de jaren 1926 tot en met 1932 was indrukwekkend.

 

Die periode was de tijd net voordat de radio als medium massaal doorbrak en platen werden dus nog gepromoot via optredens en verspreiding van bladmuziek die dan weer her en der gespeeld werd. Dit laatste, verspreiding van bladmuziek op enige schaal, ging trouwens door tot eind jaren 50, pas in 1958 stopte radio Luxembourg met de uitzending van een hitparade welke gebaseerd was op de verspreiding hiervan. Desalniettemin waren er reeds enige millionsellers in die pre-radio-periode, een der grootste was Swanee van Al Jolson en ook onze landgenoot Jacques Urlus, operazanger van formaat, wist flinke aantallen van zijn platen te verkopen.

 

Net als nu werden er in de periferie van wat toen voor hitlijst moest doorgaan opnames en platen gemaakt welke niet in stormachtige hoeveelheden over de toonbank gingen. En net als nu waren dat vaak interessantere produkten dan het gemiddeld nummer 1 tumult. In die jaren 20 werd de jazz steeds groter, in 1917 voor het eerst commercieel doorgebroken en gaandeweg met name door WC Handy, Louis Armstrong en Duke Ellington steeds populairder gemaakt. Ook de blues dook hier en daar op, dames als Bessie Smith en Mamie Smith (geen familie) lieten uitbundig van zich horen.

 

En dan was er nog de folk, eigenlijk slechts enigszins bekend gemaakt door The Carter Family, een trio bestaande uit een broer en 2 zussen, waarvan eentje overigens de schoonmoeder was van Johnny Cash. Zij, en hun volgelingen, zongen liederen die voor een antropoloog erg interessant waren, liederen over moorden, gruwelijke ongelukken, natuurrampen etcetera. Ooit, in de 19e eeuw, toen Amerika nog gevormd moest worden, waren deze liederen een soort ANP-nieuws voor de gewone man, minstrels trokken van dorpje naar dorpje en zongen, of zo u wilt, verhaalden van ”Henry Lee”, die door zijn vriendin vermoord werd of “Engine 143”, de trein die bijna ontspoorde waarbij de machinist door zichzelf op te offeren de boel net wist te redden, maar er waren ook minder sensationele songs over de moeilijkheden van de gewone man, de worstelingen met het geloof van de eerste pioniers en soms ook een simpel liefdesliedje.

 

Toen uiteindelijk de radio de overhand kreeg, verdwenen deze laatste overblijfselen uit voorbije tijden. In die zin is het fantastisch dat mensen als Harry Smith de moeite namen terug te grijpen op deze muziek en deze te categoriseren en opnieuw onder de aandacht te brengen.

Een stuk geschiedschrijving van “de gewone man” is daarmee gewaarborgd, uiteraard naast de kranten welke inmiddels zijn overgeleverd uit dezelfde tijd, maar die toch werden geschreven met de bril van de redacteur op. Bovendien luister ik liever naar een nummer van de Carter Family dan naar een krant.

 

In Nederland is er ook kort een revival geweest van zogenaamde “folk-muziek”. Jammer genoeg kwamen wij echter niet verder dan “In een groen groen knollen-knollenland” en “Wat zullen we drinken”.  Hoewel ik soms ook LP’s aantref van echte troubadours die ergens op een Noord-Hollands zolderkamertje in oude boeken hebben zitten graven, op zoek naar mooie verhalen.

 

Toch jammer dat dat soort zolderkamertjes (bijna) niet meer bestaan….zou er hier ook een Harry Smith kunnen opstaan??? Mijn zegen heeft hij.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten