Laatst luisterde ik naar een album van Ian Dury, de
briljante Engelse rockartiest (ik heb een hekel aan de term “pubrocker”) die
ook alweer bijna 15 jaar geleden naar gene zijde vertrok.
In al zijn biografieën wordt tot vervelens toe het feit
gememoreerd dat hij als kind polio had gehad, waardoor hij zijn levenlang als
gehandicapte te boek stond. Mij boeide dat nooit, vanaf de eerste keer dat ik
hem een nummer op TV zag playbacken (“Hit me” bij Avro’s Toppop, december 1978)
besloot ik dat dit rare kleine mannetje geweldige nummers kon maken. En dat
bleek ook toen hij later in 1979 het nummer “Reasons to be cheerful” de
hitparade in…ehm….zong? rapte? Nou ja, hij zei ritmisch zijn teksten op. Teksten die in de
meeste gevallen niet zozeer met een tong in de wang (tongue in cheek) waren
bedoeld als wel met een uitgestoken tong naar het establishment.
Zo maakte hij in 1981 de single Spasticus Autisticus waarop
hij de draak stak met hoe mensen naar hem keken. Als een dribbelende,
mismaakte, kwijlende levensvorm. Het bijzondere was vervolgens dat de grootste
storm van kritiek voortkwam uit juist kringen van gehandicapten die vonden dat
hij een onnodig stigma op hen plakte. Tja…
Om het verhaal even af te maken: hierna ben ik hem
enigszins uit het oog verloren. In 1985 kwam er nog wel een maxisingle uit met
daarop naast eerstgenoemde 2 nummers ook nog “Sex and drugs and rock ’n roll”,
het lijflied van Ian Dury. De nummers waren allen geremixed en van (in mijn
oren dan toch) smaakvolle synthesizer-riedels voorzien door Paul Hardcastle,
een Amerikaanse producer en muzikant, vooral bekend door zijn anti-Vietnam song
“19”. Begin jaren 90 kocht ik het album “New Boots and Panties”, hetgeen
inmiddels één van mijn favoriete albums aller tijden is en in 1998 miste ik net
het laatste optreden van hem in Paradiso, waar hij, inmiddels hevig verzwakt
door leverkanker, op het podium kwam door middel van een speciaal liftje.
Begin 2000 overleed hij, 57 jaar oud. Er werd nog een laatste album uitgebracht met
restjes van de jaren ervoor en een paar nieuwe nummers en dat was het…leek het.
Een jaar later werd echter op instigatie van Robbie
Williams een tribute-album gemaakt met als titel “Brand New Boots and Panties”, waarop het originelealbum
uit 1978 opnieuw werd ingespeeld door een aantal artiesten die Ian Dury hoog
hadden zitten, waaronder Paul McCartney.
Eigenlijk was dit stukje bedoeld om aan te tonen dat het
aandeel van gehandicapten in de muziek nauwelijks aanwezig is, maar gaandeweg
schoten me de namen binnen van Robert Wyatt, Gene Vincent (na zijn ongeluk),
“de drummer van Def Leppard (die heeft maar 1 arm)”, Stevie Wonder, Jeff
Healey, Koos Alberts, Manke Nelis en vele oude bluesartiesten die destijds geen
andere keus hadden dan muziek maken om in hun levensonderhoud te kunnen
voorzien.
Waarmee we kunnen vaststellen dat in de (pop-)muziek de
integratie van lichamelijk gehandicapten een stuk hoger ligt dan in
bijvoorbeeld de sport, waar aparte Olympische Spelen voor hen worden georganiseerd.
Los van de goede bedoelingen vind ik dit nog steeds een vreemde ontwikkeling.
Ik stel dan ook voor dit in de toekomst gewoon
gezamenlijk te laten vallen. Het voordeel hiervan is dat er voor beiden
dezelfde media-aandacht is, hetgeen mij rechtvaardiger voorkomt dan de kleine
artikeltjes op pagina 3 van het sportkatern die nu veelal zijn weggelegd voor
de “Paralympics”.
Over de begeleidende muziek maak ik me weinig zorgen,
muzikanten letten blijkbaar minder op elkaars beperkingen en meer op elkaars mogelijkheden….
Geen opmerkingen:
Een reactie posten