Midlife-crisis…als 44-jarige begeef ik me nu op glad ijs, besef ik. Maar ik ga het nu eens niet hebben over mij, ik ga het hebben over anderen. Mensen observeren in de leeftijd van 40 tot 50 jaar brengt je soms namelijk inzichten over jezelf, maar soms ook pertinent niet.
Ik zou persoonlijk niet weten wat ik met een Harley Davidson zou moeten, ik heb niet eens een motorrijbewijs. Overigens moet ik eerlijkheidshalve toegeven dat ik wel pogingen daartoe heb ondernomen, maar toen was ik 23. Na de tweede keer gezakt te zijn, waarbij ik en passant bijna een kettingbotsing tot stand bracht, besloot ik echter dat ik het mijn medeweggebruikers niet kon aandoen om zo’n onberekenbare motorist aan het snelwegareaal toe te voegen. En dus volstond ik met mijn autorijbewijs, dat ik overigens in één keer gehaald heb, dus de vooruitzichten waren op dat punt iets rooskleuriger. Maar ik weid weer iets teveel uit…
Midlife dus, tijd voor motoren, cabrio’s, het koortsachtig zoeken naar het jong, snel, wild-gevoel en alles doen om maar te zorgen dat de dood en het verval worden uitgebannen en het besef van steeds beperkter tijd wordt overschreeuwd door “spannende” zaken. Ongetwijfeld kan een goede psycho-therapeut hier nog wel iets aan toevoegen of op afdingen, maar dit lijkt me best een redelijke opsomming.
Muzikanten zijn ook mensen en sterker nog, zijn mensen die soms in de publieke belangstelling staan, dus is vaak mooi zichtbaar wat deze periode bij hen teweeg brengt. En dat is niet best. Sowieso zie je, vanwege de uitgebreide verhalen in de diverse roddelblaadjes, dat ze vaak in relatieproblemen komen, maar ook koning Botox strijkt overduidelijk alles glad wat onwelgevallig is.
Muzikaal het mooiste voorbeeld vormen de sterren uit de jaren 60 die, werkelijk zonder uitzondering, in de jaren 80 de meest gruwelijk bagger op plaat wisten te zetten. Mensen als Neil Young, David Bowie, Bob Dylan, Eric Clapton, Rod Stewart, Van Morrison, Paul McCartney en ja, ook John Lennon (want Double Fantasy was echt wel een draak van een plaat) raakten en masse het spoor bijster en lieten zich leiden door hun platenmaatschappijen die hen alleen lieten met de meest “hippe” producers van die periode, waardoor alle emotie uit hun muziek werd verzopen in aalgladde producties, muziekjes uit doosjes, vocoders en, vermoedelijk vanwege de behoefte om zich als “jong”te bewijzen, ook de melodieën waren echt volslagen nietszeggend. Geen wonder dat een hoop “sixties”-liefhebbers tot de dag van vandaag ervan overtuigd zijn dat de jaren 80 een tijd waren van creatieve armoede. Dit werd echter met name veroorzaakt doordat ze zelf halsstarrig “hun” sterren bleven volgen, terwijl juist de volgende generatie bezig was de boel te vernieuwen.
Bands als Metallica, Frontline Assembly, the Smiths, New Order/Joy Division en later ook de diverse techno- en hiphop-DJ’s voegden een hoop toe aan de bestaande muziekvormen. Eigenlijk de enige die daar iets van meepakte van de “oude garde” was Miles Davis, die in 1988 met zijn album “Doo-wop” als eerste de fusie onderzocht van jazz en hiphop en zelfs vrij verdienstelijk.
Gelukkig groeiden al die “ouwe knarren” er overheen en gingen ze later meestal weer mooie albums maken, zoals ze dat zelf wilden.
Uiteindelijk moet je een punt bereiken dat het niet echt boeit, de tijd die je wel of niet hebt. Kijk om je heen en realiseer je dat iedere dag de laatste kan zijn. En dat wetend kun je slechts genieten van de mooie dingen om je heen, anders verdoe je je tijd.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten